Socialezekerheidsrecht
Intrekking na opschorting bijstand. Appellanten hebben niet aannemelijk gemaakt dat zij binnen de gestelde…
ECLI:NL:CRVB:2015:3418 · Centrale Raad van Beroep · 6 oktober 2015
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/centrale-raad-van-beroep/bestuursrecht/socialezekerheidsrecht/hoger-beroep/ecli-nl-crvb-2015-3418
Zaakgegevens
Op 6 oktober 2015 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.
- Instantie
- Centrale Raad van BeroepCentrale Raad van BeroepDe hoogste bestuursrechter voor sociale zekerheid en ambtenarenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 6 oktober 2015
- Datum publicatie
- 6 oktober 2015
- Zaaknummer
- 14/2918 WWB
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:CRVB:2015:3418
Samenvatting
Intrekking na opschorting bijstand. Appellanten hebben niet aannemelijk gemaakt dat zij binnen de gestelde termijn niet over die gegevens hebben kunnen beschikken.
Procesgang
Uitspraak · 2014
ECLI:NL:RBROT:2014:2569Centrale Raad van Beroep · 6 oktober 2015deze uitspraak
ECLI:NL:CRVB:2015:3418
Bekrachtiging/bevestigingBekrachtigingDe hogere rechter laat de eerdere uitspraak in stand: de uitkomst blijft hetzelfde.Meer uitleg
Uitspraak
Inhoudsopgave
14/2918 WWB
Datum uitspraak: 6 oktober 2015
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van
10 april 2014, 13/3684 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] (appellante) en [appellant] (appellant) te [woonplaats] (appellanten)
het Drechtstedenbestuur (bestuur)
PROCESVERLOOP
Namens appellanten heeft mr. P. Hanenberg, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het bestuur heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 augustus 2015. Appellanten zijn verschenen, bijgestaan door mr. Hanenberg. Het bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Kleijn.
OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
Appellanten ontvingen sinds 1 april 2012 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB).
Bij brief van 13 augustus 2012 zijn appellanten uitgenodigd voor een gesprek bij de Sociale Dienst Drechtsteden op 21 augustus 2012. Hierbij zijn appellanten verzocht bankafschriften van alle rekeningen waarover zij beschikken over de periode van 1 juni 2012 tot en met 13 augustus 2012 te overleggen.
Bij besluit van 23 augustus 2012 heeft het bestuur met toepassing van artikel 54, eerste lid, van de WWB het recht op bijstand van appellanten met ingang van 21 augustus 2012 opgeschort op de grond dat appellanten niet hebben voldaan aan de op hen rustende inlichtingenverplichting. Het bestuur heeft appellanten hierbij een hersteltermijn geboden om het geconstateerde verzuim binnen zeven dagen te herstellen. Tevens zijn appellanten erop gewezen dat, als zij de stukken niet binnen die termijn aanleveren, de bijstand vanaf
21 augustus 2012 wordt ingetrokken.
Bij besluit van 28 september 2012, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 23 april 2013 (bestreden besluit), heeft het bestuur de bijstand van appellanten met toepassing van artikel 54, vierde lid, van de WWB met ingang van 21 augustus 2012 ingetrokken. Aan dit besluit heeft het bestuur ten grondslag gelegd dat appellanten weliswaar verschillende bankafschriften hebben overgelegd maar dat uit informatie van de belastingdienst is gebleken dat appellanten geen melding hebben gemaakt van vier bankrekeningen en zij hiervan ook geen afschriften hebben overgelegd.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het ingestelde beroep ongegrond verklaard. Hierbij heeft de rechtbank overwogen dat appellanten met betrekking tot zeker twee bankrekeningnummers niet hebben voldaan aan de inlichtingenplicht. Deze informatie is relevant voor de vaststelling van het recht op bijstand van appellanten. Niet gebleken is dat het appellanten redelijkerwijs niet kan worden verweten dat zij de gevraagde gegevens niet tijdig hebben overgelegd.
3. Appellanten hebben zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Vanwege hun slechte financiële situatie hebben appellanten een slechte verstandhouding met de Rabobank. De bank had de rekeningen van appellanten geblokkeerd en weigerde alle medewerking bij het verstrekken van (nieuwe) afschriften of een bevestiging van de blokkering van deze rekeningen. Hierdoor kan appellanten niet worden verweten dat zij niet de beschikking konden krijgen over afschriften van deze twee rekeningen. Daarnaast waren deze gegevens niet noodzakelijk voor de vaststelling van het recht op bijstand. Bij besluit van 13 februari 2013 is immers vanaf 2 januari 2013 weer bijstand toegekend. Deze bankrekeningen waren hiervoor geen beletsel en ook ten aanzien van het verleden zijn geen onregelmatigheden geconstateerd. Appellanten zien niet in waarom over de periode van
21 augustus 2012 tot 2 januari 2013 geen bijstand kan worden verleend.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Appellanten hebben tegen de opschorting van het recht op bijstand geen rechtsmiddel aangewend, zodat uitsluitend ter beoordeling voorligt of de intrekking van de bijstand met ingang van 21 augustus 2012 in rechte stand kan houden.
Bij de beantwoording van de vraag of het bestuur op grond van artikel 54, vierde lid, van de WWB bevoegd was tot intrekking van de bijstand, staat ter beoordeling of appellanten verzuimd hebben binnen de daartoe gestelde termijn de bij het opschortingsbesluit gevraagde gegevens of gevorderde bewijsstukken te overleggen. Als dat het geval is dient vervolgens te worden nagegaan of appellanten hiervan een verwijt kan worden gemaakt. Die verwijtbaarheid kan ontbreken als het gaat om gegevens of gevorderde bewijsstukken die niet van belang zijn voor de verlening van bijstand of om gegevens waarover appellanten niet binnen de gestelde hersteltermijn redelijkerwijs hebben kunnen beschikken.
Vaststaat dat appellanten van twee bankrekeningen niet de gevraagde afschriften binnen de daarvoor gestelde termijn hebben ingeleverd. Door appellanten is ter zitting van de Raad erkend dat zij, vanwege de daarmee gepaard gaande kosten, geen pogingen hebben ondernomen om tegen betaling afschriften van deze rekeningen bij de Rabobank op te vragen. Appellanten hebben niet aannemelijk gemaakt dat zij binnen de gestelde termijn niet over die gegevens hebben kunnen beschikken.
Het standpunt van appellanten dat de gevraagde gegevens niet relevant zijn voor de vaststelling van het recht op bijstand, omdat deze gegevens alsnog bij een latere aanvraag zijn overgelegd en hieruit geen onregelmatigheden zijn gebleken, slaagt niet. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 16 januari 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:AZ7575) komt in beginsel geen betekenis toe aan gegevens of stukken die tijdens de bezwaarfase alsnog zijn verstrekt. Van dat uitgangspunt kan worden afgeweken indien appellanten aannemelijk maken dat het gaat om gegevens of stukken die appellanten redelijkerwijs niet binnen de gegeven hersteltermijn hebben kunnen verstrekken. In het voorgaande ligt al besloten dat appellanten hierin niet zijn geslaagd. Daarnaast is uit de door appellanten op 8 juli 2013 in beroep overgelegde informatie gebleken dat beide bankrekeningen in december 2012 zijn opgeheven zodat zij voor de beoordeling van de nieuwe aanvraag van 2 januari 2013 in zoverre geen belemmering waren.
Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet slaagt.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door G.M.G. Hink, in tegenwoordigheid van C.A.W. Zijlstra als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 oktober 2015.
(getekend) G.M.G. Hink
(getekend) C.A.W. Zijlstra