Socialezekerheidsrecht
Afwijzing aanvraag. Appellant verkeert niet in bijstandsbehoevende omstandigheden.
ECLI:NL:CRVB:2015:3452 · Centrale Raad van Beroep · 6 oktober 2015
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/centrale-raad-van-beroep/bestuursrecht/socialezekerheidsrecht/hoger-beroep/ecli-nl-crvb-2015-3452
Zaakgegevens
Op 6 oktober 2015 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.
- Instantie
- Centrale Raad van BeroepCentrale Raad van BeroepDe hoogste bestuursrechter voor sociale zekerheid en ambtenarenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 6 oktober 2015
- Datum publicatie
- 8 oktober 2015
- Zaaknummer
- 14/2801 WWB
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:CRVB:2015:3452
Samenvatting
Afwijzing aanvraag. Appellant verkeert niet in bijstandsbehoevende omstandigheden.
Uitspraak
Inhoudsopgave
14/2801 WWB
Datum uitspraak: 6 oktober 2015
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 2 april 2014, 13/4514 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Utrecht (college)
PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 augustus 2015. Appellant is niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W. van Beveren.
OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
Appellant heeft van 11 december 2009 tot 28 januari 2011 bijstand op grond van de Wet investeren in jongeren (WIJ) ontvangen en heeft van 29 januari 2011 tot 25 maart 2013 in detentie gezeten. Op 25 maart 2013 heeft appellant zich gemeld om bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand aan te vragen. Op 13 april 2013 heeft hij de aanvraag ingediend.
Omdat het vermoeden bestond dat appellant samenwoonde met zijn vriendin, heeft een handhavingsspecialist in dienst van de gemeente Utrecht (handhavingsspecialist) een onderzoek verricht naar de woon- en leefsituatie van appellant. In dat kader heeft de handhavingsspecialist dossieronderzoek verricht, op 21 mei 2013 een gesprek met appellant gevoerd en aansluitend aan dat gesprek een huisbezoek afgelegd aan het door appellant opgegeven uitkeringsadres. Tijdens het gesprek heeft appellant onder meer verklaard dat zijn vriendin samen met haar zus de huur van de woning van appellant betaalt, dat zijn vriendin en haar zus eigenlijk alles voor appellant betalen en dat al drie jaar, met uitzondering van de detentieperiode, en dat hij zelf helemaal niets betaalt. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 27 mei 2013.
Naar aanleiding van de onderzoeksresultaten heeft het college bij besluit van 28 mei 2013, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 26 juli 2013 (bestreden besluit), de aanvraag afgewezen. Aan het bestreden besluit heeft het college, onder verwijzing naar de verklaring van appellant van 21 mei 2013, ten grondslag gelegd dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in bijstandbehoevende omstandigheden verkeert.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Daartoe heeft hij aangevoerd dat hij in het verleden meerdere malen brieven van schuldeisers heeft overlegd en daarmee heeft aangetoond dat hij niet kan voorzien in de noodzakelijke kosten van bestaan. Appellant stelt dat de situatie waarin hij zich bevindt onhoudbaar is en dat hij zijn omgeving moet smeken om hem te voorzien in de noodzakelijke kosten van het bestaan.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
De te beoordelen periode loopt van 25 maart 2013 (datum melding) tot en met 28 mei 2013 (datum afwijzingsbesluit).
Het gaat in dit geding om een besluit tot afwijzing van een aanvraag om bijstand. Bij aanvragen om bijstand rust de bewijslast van de bijstandbehoevendheid in beginsel op de aanvrager zelf.
De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in de te beoordelen periode in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerde. Uit zijn verklaring van 21 mei 2013 blijkt dat appellant al geruime tijd, ook gedurende de te beoordelen periode, volledig werd onderhouden door derden. Dat dit in die periode leidde tot een voor appellant onhoudbare situatie, blijkt nergens uit, nog daargelaten of dit tot een ander oordeel zou hebben geleid. Met de enkele verwijzing naar in het verleden overgelegde brieven van schuldeisers heeft appellant niet aannemelijk gemaakt dat hij in de te beoordelen periode zelf niet kon voorzien in de noodzakelijke kosten van het bestaan. De omstandigheid dat appellant in het verleden een WIJ-uitkering heeft ontvangen, terwijl hij toen ook volledig door derden werd onderhouden, brengt niet met zich dat het college de onderhavige bijstandsaanvraag had moeten inwilligen.
Uit 4.2 en 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal daarom worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door W.F. Claessens, in tegenwoordigheid van J.L. Meijer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 oktober 2015.
(getekend) W.F. Claessens
(getekend) J.L. Meijer