Socialezekerheidsrecht

Afgewezen verzoek tot voorlopige voorziening. Kennelijk niet-ontvankelijk. Geen aanhangig hoger beroep.

Centrale Raad van Beroep, 26 juli 2016

Zaakgegevens

Op 26 juli 2016 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26 juli 2016
Datum publicatie
26 juli 2016
Zaaknummer
16/3471 WWB-VV
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:CRVB:2016:2815
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Afgewezen verzoek tot voorlopige voorziening. Kennelijk niet-ontvankelijk. Geen aanhangig hoger beroep.

Procesgang

  1. Centrale Raad van Beroep · 26 juli 2016deze uitspraak

    ECLI:NL:CRVB:2016:2815

  2. Hoge Raad · 23 september 2016

    ECLI:NL:HR:2016:2168

Uitspraak

16/3471 WWB-VV

Datum uitspraak: 26 juli 2016

Centrale Raad van Beroep

Voorzieningenrechter

Uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening

Partijen:

[verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker)

het college van burgemeester en wethouders van Groningen (college)

PROCESVERLOOP

Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Nederland (rechtbank) van 6 juli 2015, 15/2101, (aangevallen uitspraak).

Verzoeker heeft bij brief van 12 mei 2016 verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

OVERWEGINGEN

1. Ingevolge de artikelen 8:104, eerste lid, en 8:108, eerste lid, in verbinding met artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of van de voorzieningenrechter van de rechtbank, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank met toepassing van artikel 8:84, eerste lid, van de Awb beslist op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker.

3. Bij uitspraak van 12 april 2016, 15/4787 WWB, heeft de Raad zich onbevoegd verklaard om van het door verzoeker ingestelde hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak kennis te nemen. De Raad heeft hiertoe overwogen dat tegen een uitspraak van de voorzieningenrechter als bedoeld in artikel 8:84, eerste lid, van de Awb ingevolge artikel 8:104, tweede lid, aanhef en onder d, van de Awb geen hoger beroep kan worden ingesteld. Daarbij heeft de Raad overwogen dat niet is gebleken van feiten en omstandigheden die een doorbreking van het wettelijk appèlverbod rechtvaardigen. Bij uitspraak van 19 juli 2016, 15/4787 WWB-V, heeft de Raad het verzet tegen de uitspraak van 12 april 2016 ongegrond verklaard.

4. Met de onder 3 genoemde uitspraak van 19 juli 2016 wordt niet langer voldaan aan de voorwaarde dat met betrekking tot de uitspraak ten aanzien waarvan een voorlopige voorziening wordt gevraagd hoger beroep is ingesteld. Hoewel voor de bevoegdheid van de voorzieningenrechter van de Raad tot het treffen van een voorlopige voorziening voldoende is dat er op enig moment hoger beroep is ingesteld, dient deze voorwaarde aldus te worden verstaan dat een hoger beroep aanhangig moet zijn, wil een voorlopige voorziening kunnen worden getroffen.

5. Wat onder 4 is overwogen leidt ertoe dat het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen kennelijk niet-ontvankelijk is, zodat de voorzieningenrechter met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van de Awb buiten zitting uitspraak zal doen.

6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door P.W. van Straalen, in tegenwoordigheid van

R.B.E. van Nimwegen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op

26 juli 2016.

(getekend) P.W. van Straalen

(getekend) R.B.E. van Nimwegen

HD