Socialezekerheidsrecht
Geen recht meer op ziekengeld. Zorgvuldig medisch onderzoek door de (verzekerings)artsen. Arbeidsbeperkingen…
Centrale Raad van Beroep, 27 juli 2016
ECLI:NL:CRVB:2016:2878 · Centrale Raad van Beroep · 27 juli 2016
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/centrale-raad-van-beroep/bestuursrecht/socialezekerheidsrecht/hoger-beroep/ecli-nl-crvb-2016-2878
Zaakgegevens
Op 27 juli 2016 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.
- Instantie
- Centrale Raad van BeroepCentrale Raad van BeroepDe hoogste bestuursrechter voor sociale zekerheid en ambtenarenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 27 juli 2016
- Datum publicatie
- 28 juli 2016
- Zaaknummer
- 15/720 ZW
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:CRVB:2016:2878
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Geen recht meer op ziekengeld. Zorgvuldig medisch onderzoek door de (verzekerings)artsen. Arbeidsbeperkingen van appellant zijn niet onderschat.
Uitspraak
15/720 ZW
Datum uitspraak: 27 juli 2016
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van
31 december 2014, 14/7037 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. J.J. Blok, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 juni 2016. Namens appellant is mr. Blok verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.J. Grasmeijer.
OVERWEGINGEN
Appellant was werkzaam als schoonmaakmedewerker en installateur van ventilatiepijpen gedurende gemiddeld 40 uur per week bij een uitzendbureau. Zijn dienstverband is op
18 februari 2014 beëindigd. Appellant heeft zich op 19 februari 2014 ziek gemeld met klachten aan het linkerbeen en psychische klachten.
Op 27 maart en 30 april 2014 heeft appellant het spreekuur bezocht van een bedrijfsarts. Deze arts heeft appellant per 21 april 2014, subsidiair per 1 mei 2014 geschikt geacht voor de laatst verrichte arbeid in de functie van schoonmaakmedewerker. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 30 april 2014 vastgesteld dat appellant per 21 april 2014, subsidiair per 1 mei 2014 geen recht meer heeft op ziekengeld. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 18 juni 2014 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit heeft het Uwv een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 17 juni 2014 ten grondslag gelegd.
2. Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd voor zover het de beëindiging van de ZW-uitkering per 21 april 2014 betreft. Zij heeft geoordeeld dat er geen aanleiding is het medisch onderzoek door de (verzekerings)artsen onzorgvuldig of te summier te achten, of te oordelen dat de arbeidsbeperkingen van appellant zijn onderschat.
In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat hij met name wegens zijn psychische klachten niet in staat was om op de datum in geding zijn arbeid te verrichten. Appellant heeft naar voren gebracht dat de rechtbank onvoldoende heeft onderkend dat de bedrijfsarts en de verzekeringsarts bezwaar en beroep onvoldoende navraag hebben gedaan bij de huisarts, en onvoldoende onderzoek hebben verricht naar zijn psychische klachten.
Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Ingevolge artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Op grond van het vijfde lid van artikel 19 van de ZW, is – voor zover hier van belang – bepaald dat ten aanzien van een verzekerde die geen werkgever heeft onder ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wordt verstaan: ongeschiktheid tot het verrichten van werkzaamheden die bij een soortgelijke werkgever gewoonlijk kenmerkend voor zijn arbeid zijn.
De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank en onderschrijft de overwegingen die zij daaraan ten grondslag heeft gelegd. Wat appellant in hoger beroep heeft ingebracht, vormt geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep over de medische situatie van appellant op de datum in geding. Deze arts heeft appellant gezien tijdens de hoorzitting, dossierstudie verricht en informatie van de behandelend sector bij haar beoordeling betrokken.
Over de psychische klachten heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep het standpunt ingenomen dat de primaire verzekeringsarts noch hij bij onderzoek ernstige psychopathologie heeft waargenomen, en dat er geen overtuigende aanwijzingen zijn voor een ernstige psychiatrische stoornis. Hij heeft overwogen dat appellant vooral veel zorgen heeft vanuit life events in zijn privésituatie, maar dat deze slechts een beperkte rol kunnen spelen bij het beoordelen van de arbeidsongeschiktheid. Wat appellant heeft aangevoerd, geeft onvoldoende aanknopingspunten om deze overwegingen voor onjuist te houden.
Over de fysieke klachten heeft hij het standpunt ingenomen dat die evenmin een reden vormen voor arbeidsongeschiktheid. Betreffende de trombose in het linkerbeen heeft hij overwogen dat er sprake is van een stabiele situatie, en dat er bij lichamelijk onderzoek geen afwijkingen zijn vastgesteld. Wat appellant heeft aangevoerd, geeft geen aanleiding voor het oordeel dat dit standpunt onjuist is.
Uit wat in 4.2 tot en met 4.4 is overwogen, volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. Het Uwv heeft terecht vastgesteld dat appellant met ingang van 1 mei 2014 geen recht meer heeft op ziekengeld.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M.C. Bruning, in tegenwoordigheid van L.L. van den IJssel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 juli 2016.
(getekend) M.C. Bruning
(getekend) L.L. van den IJssel