Socialezekerheidsrecht
Intrekking WIA-uitkering. Voldoende medische grondslag. Eerst in hoger beroep voldoende toegelicht dat…
Centrale Raad van Beroep, 30 september 2016
ECLI:NL:CRVB:2016:3628 · Centrale Raad van Beroep · 30 september 2016
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/centrale-raad-van-beroep/bestuursrecht/socialezekerheidsrecht/hoger-beroep/ecli-nl-crvb-2016-3628
Zaakgegevens
Op 30 september 2016 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.
- Instantie
- Centrale Raad van BeroepCentrale Raad van BeroepDe hoogste bestuursrechter voor sociale zekerheid en ambtenarenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 30 september 2016
- Datum publicatie
- 30 september 2016
- Zaaknummer
- 15-2650 WIA
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:CRVB:2016:3628
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Intrekking WIA-uitkering. Voldoende medische grondslag. Eerst in hoger beroep voldoende toegelicht dat appellant de geduide functies kan verrichten.
Uitspraak
15/2650 WIA
Datum uitspraak: 30 september 2016
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van
23 maart 2015, 14/3692 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. L. Boon, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift en rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ingediend.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld op 19 augustus 2016. Partijen zijn, na bericht daarvan, niet verschenen.
OVERWEGINGEN
Appellant ontvangt vanaf 1 april 2010 een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 100%.
Bij besluit van 22 januari 2014 is zijn verzoek om een IVA-uitkering afgewezen en is zijn loonaanvullingsuitkering ongewijzigd voortgezet.
Bij besluit op bezwaar (bestreden besluit) van 13 oktober 2014 is die uitkering per
7 oktober 2014 ingetrokken omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat het onderzoek door de verzekeringsarts bezwaar en beroep zorgvuldig was. De rechtbank heeft voorts geen aanleiding gezien te twijfelen aan de juistheid van de Functionele Mogelijkhedenlijst. Er is geen aanleiding om aan te nemen dat appellant niet in staat zou zijn de geduide functies te verrichten.
Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat hij meer beperkingen heeft en de geduide functies niet kan verrichten.
Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd is in grote lijnen een herhaling van wat hij bij de rechtbank naar voren heeft gebracht. De rechtbank heeft uitvoerig gemotiveerd waarom die gronden niet slagen. De Raad sluit zich daarbij aan. In hoger beroep heeft appellant geen (medische) stukken ingediend die zijn standpunt dat hij meer beperkt is, ondersteunen.
Met het rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 6 augustus 2014 en haar in hoger beroep overgelegde rapport van 27 juli 2016 heeft het Uwv voldoende onderbouwd dat appellant in staat moet zijn om de geduide functies, waaronder de functie inpakker van diepvriesbanket, te verrichten.
Het hoger beroep slaagt niet.
5. Nu pas in hoger beroep voldoende is toegelicht dat appellant de geduide functies kan verrichten, is er aanleiding het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 12,60 aan reiskosten in beroep en
€ 1.488,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en hoger beroep, in totaal € 1.500,60.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
-
bevestigt de aangevallen uitspraak;
-
veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.500,60;
-
bepaalt dat het Uwv het in beroep en in hoger beroep door appellant betaalde griffierecht van € 168,- aan hem vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen, in tegenwoordigheid van
I.G.A.H. Toma als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op
30 september 2016.
(getekend) I.M.J. Hilhorst-Hagen
(getekend) I.G.A.H. Toma