Socialezekerheidsrecht

Intrekken en terugvordering en maatregel. Autohandel. Geen consumptief gebruik. Maatregel en geen boete…

Zaakgegevens

Op 18 oktober 2016 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18 oktober 2016
Datum publicatie
19 oktober 2016
Zaaknummer
15/220 WWB
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:CRVB:2016:3988
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Intrekken en terugvordering en maatregel. Autohandel. Geen consumptief gebruik. Maatregel en geen boete. Gedragingen voor 1 januari 2013. Overgangsrecht wettelijke grondslag maatregel. Geen slechtere positie.

Procesgang

  1. Uitspraak · 2014

    ECLI:NL:RBROT:2014:9604
  2. Centrale Raad van Beroep · 18 oktober 2016deze uitspraak

    ECLI:NL:CRVB:2016:3988

    Bekrachtiging/bevestiging

Uitspraak

Inhoudsopgave

15/220 WWB

Datum uitspraak: 18 oktober 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 28 november 2014, 14/32 (aangevallen uitspraak) en het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.J. Wintjes, advocaat, hoger beroep ingesteld en tevens verzocht het college te veroordelen tot vergoeding van schade.

Bij brief van 7 januari 2016 heeft mr. drs. M.J. Hüsen, advocaat, zich als opvolgend gemachtigde gesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 mei 2016. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. drs. Hüsen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. M.R. Keyser.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving sinds 1 februari 2001 bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande.

1.2.

Naar aanleiding van een IB-signaal dat appellant een voertuig in zijn bezit had, heeft de Afdeling Bijzondere Onderzoeken van de gemeente Rotterdam (ABO) een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. In dat kader heeft een medewerker van ABO gegevens opgevraagd bij de Dienst Wegverkeer (RDW) en op 18 maart 2013 met appellant een gesprek gevoerd. Daaruit kwam naar voren dat vanaf 25 juni 2004 32 kentekens op naam van appellant geregistreerd hebben gestaan. De resultaten van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 20 maart 2013.

1.3.

De bevindingen van het onderzoek zijn voor het college aanleiding geweest om de volgende besluiten te nemen. Bij besluit van 21 maart 2013 (besluit 1) heeft het college de bijstand van appellant met ingang van 18 maart 2013 ingetrokken. Bij afzonderlijk besluit van dezelfde datum (besluit 2) heeft het college de bijstand over de maanden september 2004, januari 2005, juli 2005, november 2005, maart 2006, april 2006, augustus 2006, oktober 2006, juli 2007, september 2007, november 2008, januari 2009, april 2009, juli 2009,

november 2009, maart 2010, november 2010, januari 2011, maart 2011, juni 2011,

september 2011, november 2011, februari 2012, november 2012 en januari 2013 herzien (lees: ingetrokken) en de over die maanden gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 26.755,61 van appellant teruggevorderd. Bij besluit van gelijke datum (besluit 3) heeft het college appellant in de periode van 1 maart 2013 tot en met 17 maart 2013 uitgesloten van bijstand. Het college heeft aan de besluitvorming ten grondslag gelegd dat in genoemde maanden kentekens van motorvoertuigen op naam van appellant hebben gestaan. Door geen melding te maken van deze registraties en/of van de daarbij behorende financiële transacties heeft appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting geschonden, als gevolg waarvan het recht op bijstand over deze maanden niet kan worden vastgesteld.

1.4.

Nadat het college zijn voornemen daartoe bekend had gemaakt en appellant in de gelegenheid had gesteld zijn zienswijze kenbaar te maken, heeft het college appellant bij besluit van 29 mei 2013 (besluit 4) een boete opgelegd van € 13.640,-.

1.5.

Appellant heeft zich op 2 mei 2013 opnieuw gemeld om een aanvraag om bijstand te doen. Naar aanleiding van de op 6 mei 2013 ingediende aanvraag heeft het college bij besluit van 11 juni 2013 appellant met ingang van 2 mei 2013 opnieuw bijstand toegekend naar de norm voor een alleenstaande.

1.6.

Hangende bezwaar tegen de besluiten 1, 2, 3 en 4 heeft het college bij besluit van

2 oktober 2013 (besluit 5) besluit 1 ingetrokken en besluit 3 gewijzigd, in die zin dat het recht op bijstand over de periode van 1 maart tot en met 31 maart 2013 wordt ingetrokken. Het college heeft tevens gebruik gemaakt van zijn bevoegdheid om de als gevolg van de intrekking van besluit 1 ontstane nabetaling te verrekenen met de openstaande fraudevordering(en) van appellant.

1.7.

Bij besluit van 21 november 2013 (bestreden besluit) heeft het college de bezwaren van appellant tegen de besluiten 2, 4 en 5 gegrond verklaard, in zoverre dat de herziening

(lees: intrekking) over de maanden november 2005, maart 2006 en augustus 2006 vervalt met als gevolg dat de terugvordering wordt verlaagd tot een bedrag van € 24.067,65, dat in plaats van de boete een maatregel wordt opgelegd van 100% verlaging van de bijstand voor de duur van één maand ingaande 1 december 2013 en dat de nabetaling over april 2013 niet in mindering op de openstaande vordering komt en alsnog aan appellant wordt nabetaald. Voor het overige heeft het college de besluiten 2, 4 en 5 gehandhaafd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Intrekking en terugvordering van de bijstand

4.1.1.

In hoger beroep ligt ter beoordeling voor de intrekking en terugvordering van een bedrag van € 24.067,65 over de maanden september 2004, januari 2005, juli 2005, april 2006, oktober 2006, juli 2007, september 2007, november 2008, januari 2009, april 2009, juli 2009, november 2009, maart 2010, november 2010, januari 2011, maart 2011, juni 2011,

september 2011, november 2011, februari 2012, november 2012, en januari 2013 en de intrekking over maart 2013.

4.1.2.

Uit de beschikbare gegevens van de RDW blijkt dat in de periode van 25 juni 2004 tot en met 18 maart 2013 in totaal 32 kentekens op naam van appellant geregistreerd hebben gestaan. De tenaamstelling is vaak korter dan drie maanden geweest, soms slechts enkele dagen. Daarnaast hebben in genoemde periode gedurende langere of kortere tijd kentekens van twee auto’s gelijktijdig op naam van appellant gestaan. Voorts staat vanaf 25 oktober 2006 een auto van het merk Volkswagen type Golf met het kenteken [kenteken] (Volkswagen) op naam van appellant geregistreerd. In genoemde periode zijn 30 auto’s aan derden overgedragen.

4.1.3.

Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 29 december 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BK8306) heeft het college, gelet op de in 4.1.2 vermelde gegevens, aannemelijk gemaakt dat met betrekking tot 30 auto’s transacties hebben plaatsgevonden. De datum met ingang waarvan een kenteken niet langer op naam van appellant staat, is de datum waarop de betreffende transactie heeft plaatsgevonden. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat de betreffende auto’s niet als handelsobject moeten worden aangemerkt, maar uitsluitend bestemd waren voor consumptief (of: eigen) gebruik. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (uitspraak van 3 juli 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:841), is de enkele omstandigheid dat een aantal auto’s gedurende een periode van een paar maanden op zijn naam stonden en hij in de auto’s reed, daartoe onvoldoende. Het college heeft in overeenstemming met die uitspraak aangenomen dat, behoudens auto’s die gelijktijdig op naam van appellant hebben gestaan, auto’s die langer dan drie maanden op naam van appellant hebben gestaan voor eigen gebruik waren en die auto’s ook niet in de beoordeling betrokken.

4.1.4.

Appellant heeft aangevoerd dat ook de Volkswagen buiten de beoordeling moet worden gelaten, gelet op het uitgangspunt dat een auto die langer dan drie maanden op naam heeft gestaan aangemerkt wordt als bedoeld voor eigen gebruik. Gelet op wat in 4.1.3 is overwogen, slaagt deze beroepsgrond niet. Uit de RDW-gegevens blijkt dat gelijktijdig met de Volkswagen andere auto’s voor langere of kortere periode op naam van appellant hebben gestaan. De omstandigheid dat hij de Volkswagen uitsluitend om emotionele redenen heeft aangehouden, maakt dat niet anders. Ook de subsidiaire beroepsgrond dat de Volkswagen in ieder geval in de periode van 11 februari 2011 tot en met 6 juni 2011 buiten de beoordeling moet worden gelaten omdat in deze periode het kenteken van de Volkswagen was geschorst en appellant niet in de Volkswagen mocht rijden, slaagt niet. Uit de RDW-gegevens volgt dat in de maanden maart en juni 2011 naast de Volkswagen nog kentekens van twee andere auto’s gelijktijdig op naam van appellant geregistreerd stonden.

4.1.5.

Appellant heeft voorts aangevoerd dat in de periode vóór 25 oktober 2006 auto’s niet gelijktijdig maar uitsluitend volgtijdelijk op zijn naam geregistreerd stonden, wat duidt op louter consumptief gebruik. Ook deze beroepsgrond slaagt niet, nu uit de RDW-gegevens blijkt dat de registratie van de kentekens in deze periode korter dan drie maanden was en in één geval slechts twee dagen.

4.1.6.

Door van de in 4.1.3 bedoelde transacties geen melding te maken heeft appellant in de in 4.1.1 genoemde maanden waarin de registraties bij de RDW zijn beëindigd en de transacties hebben plaatsgevonden, de op hem rustende inlichtingenverplichting geschonden. De beroepsgrond dat slechts sprake was van auto’s met geringe waarde, die bij verkoop nauwelijks iets opbrengen en dat het college onvoldoende voorlichting heeft gegeven over de reikwijdte van de inlichtingenverplichting, slaagt niet. Het had appellant redelijkerwijs duidelijk moeten zijn dat transacties met op zijn naam staande auto’s van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand.

4.1.7.

Schending van de inlichtingenverplichting levert een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of en, zo ja, in hoeverre de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Het is dan aan de betrokkene aannemelijk te maken dat hij, indien hij destijds wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, over de betreffende periode recht op volledige dan wel aanvullende bijstand zou hebben gehad. Appellant is niet in die bewijslast geslaagd. Appellant heeft geen boekhouding of administratie van de transacties met de auto’s bijgehouden. Nu controleerbare gegevens over de transacties, waaronder begrepen de daaruit ontvangen inkomsten, ontbreken kon het recht op bijstand in de in 4.1.1 genoemde maanden niet worden vastgesteld en was het college bevoegd op grond van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB de bijstand in die maanden in te trekken. Appellant heeft de wijze waarop het college van zijn bevoegdheid tot intrekking gebruik heeft gemaakt niet bestreden. Het college was tevens gehouden op grond van artikel 58, eerste lid, van de WWB de kosten van bijstand over de in 4.1 genoemde maanden terug te vorderen. Tegen de hoogte van de terugvordering heeft appellant geen zelfstandige beroepsgronden aangevoerd, zodat die geen bespreking behoeft.

Maatregel

4.2.1.

Appellant heeft in hoger beroep - samengevat - aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college niet bevoegd was een boete op te leggen en dat daarom noodzakelijkerwijs gekozen moest worden voor het opleggen van een maatregel. De omstandigheid dat het college de keuze heeft gemaakt van het opleggen van een boete af te zien, houdt niet in dat in het kader van heroverweging alsnog tot het opleggen van een maatregel kan worden besloten. Daarbij heeft appellant gewezen op het gemeentelijk beleid waaruit volgens hem voortvloeit dat niet tot het opleggen van een maatregel mag worden overgegaan indien meer dan een half jaar is verstreken nadat het college de verwijtbare gedraging heeft geconstateerd. Ter zitting heeft appellant daaraan toegevoegd dat er ten tijde van het bestreden besluit geen grondslag was voor het opleggen van een maatregel. De Verordening afstemming en handhaving WWB, IOAW, IOAZ Rotterdam 2009

(Verordening 2009) is ingetrokken en de Verordening afstemming en handhaving WWB, IOAW, IOAZ Rotterdam 2013 (Verordening 2013) biedt niet de mogelijkheid een maatregel op te leggen voor het schenden van de inlichtingenverplichting. In de Verordening 2013 zijn geen overgangsrechtelijke bepalingen opgenomen.

4.2.2.

Artikel XXV van de Wet aanscherping handhaving en sanctiebeleid SZW-wetgeving, Stb. 2012, 462, en in werking getreden per 1 januari 2013 (overgangsrecht Wet aanscherping) luidt als volgt:

“1. Ten aanzien van beboetbare overtredingen en strafbare feiten voorzien bij of krachtens de wetten die bij deze wet zijn gewijzigd en die zijn begaan uiterlijk op de dag voor de dag waarop deze wet of het desbetreffende onderdeel daarvan in werking is getreden, blijft het recht, met inachtneming van het tweede lid, van toepassing zoals dat gold op die dag.

2. Ten aanzien van beboetbare overtredingen en strafbare feiten voorzien bij of krachtens de wetten die bij deze wet zijn gewijzigd en die zijn begaan uiterlijk op de dag voor de dag waarop deze wet of het desbetreffende onderdeel daarvan in werking is getreden en voortduren op de dag waarop deze wet of het desbetreffende onderdeel daarvan in werking is getreden, blijft het recht van toepassing zoals dat gold op de dag voor de dag waarop deze wet of het desbetreffende onderdeel daarvan in werking is getreden mits uiterlijk op de dertigste dag na de dag waarop deze wet of het desbetreffende onderdeel daarvan in werking is getreden de overtreding is opgeheven of geconstateerd.

3. Bij de toepassing van de artikelen […] XIV, onderdelen B en F, ten aanzien van de artikelen 18a en 47g van de Wet werk en bijstand is het eerste en tweede lid, van overeenkomstige toepassing.

4. Indien bij deze wet aan beboetbare overtredingen en strafbare feiten of aan de sanctionering hiervan rechtsgevolgen zijn verbonden of hieraan bevoegdheden worden ontleend, worden hierbij alleen:

a. beboetbare overtredingen en strafbare feiten betrokken die zijn begaan met ingang van de dag waarop deze wet of het desbetreffende onderdeel daarvan in werking is getreden, en de overtredingen, bedoeld in het tweede lid, die voortduren na de dertigste dag waarop deze wet of het desbetreffende onderdeel daarvan in werking is getreden;

b. sancties betrokken die zijn opgelegd voor beboetbare overtredingen of strafbare feiten als bedoeld in onderdeel a. […]”.

4.2.3.

Zoals in 4.1.6 is vastgesteld, is appellant de op hem ingevolge artikel 17, eerste lid, van de WWB rustende inlichtingenverplichting niet nagekomen. Gebleken is dat op 1 februari 2012 een fraudemelding is gedaan en dat de schending van de inlichtingenverplichting zich hoofdzakelijk in een aantal maanden vóór 2013 en in januari en maart 2013 heeft voorgedaan. Gelet hierop en op artikel XXV, eerste en vierde lid, van het overgangsrecht van de Wet aanscherping, was het college op grond van artikel 18, tweede lid, van de WWB, zoals deze bepaling tot 1 januari 2013 luidde, in beginsel gehouden de bijstand van appellant vanwege de vóór 1 januari 2013 begane overtredingen bij wijze van maatregel te verlagen. Het college heeft dit, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, tijdig onderkend en in het kader van de volledige heroverweging in bezwaar kunnen herstellen. Voorts volgt, anders dan appellant aangevoerd, uit het gemeentelijk beleid, als neergelegd in de Beleidsregels maatregelen 2012, niet dat een maatregel niet meer kan worden opgelegd indien meer dan een half jaar is verstreken nadat het college de verwijtbare gedraging heeft geconstateerd. Van belang is dat besluiten zorgvuldig en binnen een redelijke termijn worden genomen. De termijn van zes maanden dient daarbij als richtsnoer en geldt niet voor situaties waarin het onderzoek dat er aan vooraf behoort te gaan niet binnen zes maanden kan worden afgerond. Van een onredelijk lange termijn van besluitvorming is in dit geval niet gebleken. De beroepsgronden gericht tegen het opleggen van een maatregel in plaats van een boete slagen daarom niet.

4.2.4.

De beroepsgrond dat er geen wettelijke grondslag was om een maatregel op te leggen, slaagt evenmin. Nu, gelet op het overgangsrecht van de Wet aanscherping, het recht van toepassing is gebleven zoals dat gold vóór 1 januari 2013, diende het college de maatregel op te leggen overeenkomstig de in artikel 18, tweede lid, van de WWB bedoelde verordening zoals die tot 1 januari 2013 luidde. Dat betreft in dit geval de Verordening 2009.

4.2.5.

Artikel 2, eerste lid, van de Verordening 2009 bepaalt dat het college een maatregel oplegt bij het niet-nakomen of onvoldoende nakomen van de verplichtingen uit de WWB. Ingevolge het tweede lid van artikel 2 wordt de maatregel afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate waarin de belanghebbende de gedraging verweten kan worden en de omstandigheden waarin hij verkeert. Artikel 3, eerste lid, van de Verordening 2009 bepaalt dat het college geen maatregel oplegt als elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. Het tweede lid van artikel 3 geeft het college de bevoegdheid af te zien van het opleggen van een maatregel indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn. Artikel 10, tweede lid, aanhef en onder a, van de Verordening 2009 bepaalt dat bij een benadeling van € 4.000,- of meer de op te leggen maatregel 100% van de bijstandsnorm gedurende een maand bedraagt.

4.2.6.

Aangezien van de vastgestelde schending van de inlichtingenverplichting niet kan worden gezegd dat daaraan elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt, was het college gehouden de bijstand van appellant overeenkomstig de Verordening 2009 te verlagen. Vaststaat dat in dit geval de schending van de inlichtingenverplichting heeft geleid tot een benadelingsbedrag hoger dan € 4.000,-. Het verlagen van de bijstand met 100% van de bijstandsnorm is dan ook in overeenstemming met de verordening. Tegen de omvang en de duur van verlaging heeft appellant geen zelfstandige gronden aangevoerd.

4.2.7.

Appellant heeft tot slot aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat hij door het opleggen van een maatregel niet in een nadeliger positie is terechtgekomen. Deze beroepsgrond, die er op neer komt dat het college heeft gehandeld in strijd met de regel dat degene die bezwaar maakt of (hoger) beroep instelt daardoor niet in een slechtere positie mag geraken, slaagt niet. Appellant is door de in het bestreden besluit opgelegde maatregel niet in een slechtere positie gekomen dan door de in besluit 4 opgelegde boete. De opgelegde maatregel moet in dit geval aangemerkt worden als een bestraffende sanctie. De verlaging is immers, evenals een op te leggen boete, gericht op sanctionering van schending van de inlichtingenverplichting bovenop de intrekking van de bijstand en de terugvordering van wat als gevolg van die schending onverschuldigd aan bijstand is betaald. Voorts is het bedrag van de maatregel lager dan de oorspronkelijk opgelegde boete.

Conclusie

4.3.

Uit 4.1 en 4.2 vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. Voor toewijzing van het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade is gelet hierop geen grond aanwezig.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door E.C.R. Schut als voorzitter en J.L. Boxum en F.J.L. Pennings als leden, in tegenwoordigheid van C. Moustaïne als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 oktober 2016.

(getekend) E.C.R. Schut

(getekend) C. Moustaïne

HD