Socialezekerheidsrecht
Niet aannemelijk is gemaakt dat er sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding als bedoeld in…
Centrale Raad van Beroep, 11 november 2016
ECLI:NL:CRVB:2016:4313 · Centrale Raad van Beroep · 11 november 2016
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/centrale-raad-van-beroep/bestuursrecht/socialezekerheidsrecht/hoger-beroep/ecli-nl-crvb-2016-4313
Zaakgegevens
Op 11 november 2016 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.
- Instantie
- Centrale Raad van BeroepCentrale Raad van BeroepDe hoogste bestuursrechter voor sociale zekerheid en ambtenarenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 11 november 2016
- Datum publicatie
- 11 november 2016
- Zaaknummer
- 16/2256 ANW
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:CRVB:2016:4313
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Niet aannemelijk is gemaakt dat er sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding als bedoeld in artikel 6:11 Awb.
Uitspraak
16/2256 ANW
Datum uitspraak: 11 november 2016
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van
16 maart 2016, 15/683 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellante] te [woonplaats] (Marokko) (appellante)
de Raad van bestuur van het Sociale verzekeringsbank (Svb)
PROCESVERLOOP
Appellante heeft hoger beroep ingesteld.
De Svb heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 september 2016. Appellante is niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. W. van den Berg.
OVERWEGINGEN
1. Bij besluit van 5 december 2014 (bestreden besluit) heeft de Svb het bezwaar gericht tegen het besluit van 15 augustus 2014, waarbij de Svb heeft bepaald dat de nabestaandenuitkering ingevolge de Algemene Nabestaandenwet (ANW) vanaf 1 maart 2014 niet langer wordt aangepast aan het kostenniveau van het woonland, ongegrond verklaard.
Bij faxbericht van 2 februari 2015 heeft appellante beroep ingesteld tegen het besluit van 5 december 2014.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-verschoonbare termijnoverschrijding. De rechtbank heeft hiertoe overwogen het aannemelijk is dat het bestreden besluit op 5 december 2014 aan appellante is verzonden. De beroepstermijn liep dientengevolge tot 20 januari 2015. Het beroepschrift is na afloop van de beroepstermijn, en dus te laat, ingediend. Appellante heeft als reden voor de termijnoverschrijding aangevoerd dat zij het bestreden besluit pas op 2 februari 2015 heeft ontvangen. Zij stelt dat er problemen zijn met de postbezorging in de gemeente waar zij woont en dat zij, samen met anderen, hierover een klacht heeft ingediend. Appellante heeft ter onderbouwing van dit standpunt stukken, opgesteld in de Arabische taal, ingediend. De rechtbank heeft geoordeeld dat er geen reden is de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten omdat appellante niet met objectieve stukken heeft aangetoond dat zij door toedoen van een gebrekkige postverwerking in haar gemeente het bestreden besluit pas rondom
2 februari 2015 heeft ontvangen. De door appellante ingediende stukken acht de rechtbank daarvoor onvoldoende, allereerst omdat de stukken niet zijn vertaald waardoor niet duidelijk is wat de inhoud van de stukken is. Bovendien kan een klacht, afkomstig van appellante zelf, niet worden aangemerkt als een objectief stuk op grond waarvan kan worden vastgesteld dat appellante het bestreden besluit pas op 2 februari 2015 heeft ontvangen.
Appellante is het niet eens met de niet-ontvankelijkverklaring van haar beroep. In hoger beroep heeft zij wederom aangevoerd dat zij de beslissing van de Svb heel laat heeft ontvangen en dat zij gelijk beroep heeft ingesteld bij de rechtbank.
De Svb heeft de Raad verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.
4. De Raad oordeel als volgt.
Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding als bedoeld in artikel 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht. Door appellante zijn ook in hoger beroep geen gegevens overgelegd waaruit zou kunnen blijken dat haar ter zake van de termijnoverschrijding geen verwijt treft.
Uit hetgeen in 4.1 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet kan slagen. De aangevallen uitspraak dient dan ook te worden bevestigd.
5. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door L. Koper, in tegenwoordigheid van J.C. Borman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 november 2016.
(getekend) L. Koper
(getekend) J.C. Borman
IvR