Socialezekerheidsrecht
Toekenning WGA-uitkering behorend bij een mate van arbeidsongeschiktheid van 35% tot 80%. Voldoende medische…
ECLI:NL:CRVB:2016:837 · Centrale Raad van Beroep · 4 maart 2016
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/centrale-raad-van-beroep/bestuursrecht/socialezekerheidsrecht/hoger-beroep/ecli-nl-crvb-2016-837
Zaakgegevens
Op 4 maart 2016 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.
- Instantie
- Centrale Raad van BeroepCentrale Raad van BeroepDe hoogste bestuursrechter voor sociale zekerheid en ambtenarenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 4 maart 2016
- Datum publicatie
- 10 maart 2016
- Zaaknummer
- 15/272 WIA
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:CRVB:2016:837
Samenvatting
Toekenning WGA-uitkering behorend bij een mate van arbeidsongeschiktheid van 35% tot 80%. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag.
Procesgang
Uitspraak · 2014
ECLI:NL:RBROT:2014:10255Centrale Raad van Beroep · 4 maart 2016deze uitspraak
ECLI:NL:CRVB:2016:837
Bekrachtiging/bevestigingBekrachtigingDe hogere rechter laat de eerdere uitspraak in stand: de uitkomst blijft hetzelfde.Meer uitleg
Uitspraak
Inhoudsopgave
15/272 WIA
Datum uitspraak: 4 maart 2016
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van
17 december 2014, 14/3352 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Appellante heeft hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 22 januari 2016. Partijen zijn, met bericht, niet verschenen.
OVERWEGINGEN
Appellante is op 25 oktober 2011 uitgevallen voor haar werk als maatschappelijk werkster.
Het Uwv heeft, na verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek, bij besluit van 4 december 2013 vastgesteld dat voor appellante per 22 oktober 2013 recht op een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) is ontstaan. De mate van haar arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 43,17%. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 17 april 2014 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.
Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat in de aangevallen uitspraak ten onrechte is vermeld dat zij vanwege psychische klachten uit dienst is getreden. Zij is niet wegens psychische klachten uit dienst getreden, maar wegens een arbeidsconflict. Voorts is zij het niet eens met de uitspraak omdat de rechtbank de beoordeling van het Uwv heeft overgenomen en de bevindingen van haar behandelaar en psychiater buiten beschouwing heeft gelaten.
Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.
4. De Raad oordeelt als volgt.
Ter beoordeling staat of de rechtbank op goede gronden heeft geoordeeld dat het Uwv terecht heeft vastgesteld dat appellante recht heeft op een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet WIA, behorend bij een mate van arbeidsongeschiktheid van 35% tot 80%.
De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat uit de door appellante ingebrachte medische stukken niet afgeleid kan worden dat zij meer dan wel andere beperkingen heeft dan in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) is vastgesteld. De brief van de behandelend psychiater van appellante van 20 november 2013 biedt daarvoor geen aanknopingspunten nu daar alleen in wordt vermeld dat zij onder behandeling is en trouw op haar afspraken komt. Voor zover appellante heeft beoogd haar in beroep aangevoerde grond te handhaven dat er ten onrechte geen overleg met haar behandelend psychiater heeft plaatsgevonden wordt overwogen dat volgens vaste jurisprudentie (uitspraak van 20 mei 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BI4863) een verzekeringsarts in beginsel mag uitgaan van zijn eigen oordeel. Raadpleging van de behandelend sector is evenwel aangewezen in die gevallen waarin reeds een behandeling in gang is gezet of zal worden gezet, welke een beduidend effect zal hebben op de mogelijkheden van een betrokkene tot het verrichten van arbeid, of indien een betrokkene stelt dat de behandelend sector een beredeneerd afwijkend standpunt heeft over de beperkingen. Geen van beide situaties heeft zich hier voorgedaan, zodat er voor de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen aanleiding heeft bestaan om nadere informatie in te winnen bij de behandelend psychiater.
Voor zover appellante heeft beoogd aan te voeren dat het Uwv zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat zij niet geschikt is voor haar eigen werk, omdat zij slechts tijdelijk in een situatie verkeert van rouw en depressie, wordt overwogen dat het Uwv op grond van de Wet WIA na een wachttijd van 104 weken beoordeelt wat op dat moment de mogelijkheden en beperkingen voor het verrichten van arbeid van een verzekerde zijn. Indien een verzekerde na deze wachttijd (nog) niet in staat is om zijn eigen werk te verrichten, wordt op grond van de bepalingen van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten (Sb) als arbeid in aanmerking genomen, de algemeen geaccepteerde arbeid waarmee een betrokkene per uur het meest kan verdienen. Het Uwv kan bij de beoordeling per einde van de wachttijd niet uitgaan van de omstandigheid dat een verzekerde in de toekomst mogelijk zijn of haar eigen werk weer kan verrichten.
Uitgaande van de juistheid van de FML, is de rechtbank terecht van oordeel dat de door de arbeidskundige (bezwaar en beroep) geselecteerde voorbeeldfuncties, aan de hand waarvan de mate van appellantes arbeidsongeschiktheid is berekend, in medisch opzicht geschikt zijn voor appellante.
Uit hetgeen in 4.1 tot en met 4.4 is overwogen, volgt dat het hoger beroep niet kan slagen. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
5. Er is geen aanleiding om het Uwv te veroordelen tot een vergoeding van de proceskosten.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door G. van Zeben-de Vries, in tegenwoordigheid van
L.H.J. van Haarlem als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 maart 2016.
(getekend) G. van Zeben-de Vries
(getekend) L.H.J. van Haarlem