Socialezekerheidsrecht
Verzet ongegrond. Griffierecht is niet betaald.
Centrale Raad van Beroep, 26 april 2017
ECLI:NL:CRVB:2017:1621 · Centrale Raad van Beroep · 26 april 2017
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/centrale-raad-van-beroep/bestuursrecht/socialezekerheidsrecht/hoger-beroep/ecli-nl-crvb-2017-1621
Zaakgegevens
Op 26 april 2017 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.
- Instantie
- Centrale Raad van BeroepCentrale Raad van BeroepDe hoogste bestuursrechter voor sociale zekerheid en ambtenarenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 26 april 2017
- Datum publicatie
- 26 april 2017
- Zaaknummer
- 16/771 WW-V
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:CRVB:2017:1621
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Verzet ongegrond. Griffierecht is niet betaald.
Uitspraak
Datum uitspraak: 26 april 2017
16/771 WW-V
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:55, zevende lid, en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 17 december 2015, 15/2713 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
PROCESVERLOOP
Bij uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht van 24 augustus 2016 heeft de Raad het door appellant ingestelde hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk verklaard.
Appellant heeft verzet gedaan.
Het verzet is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 16 maart 2017, waar partijen niet zijn verschenen.
OVERWEGINGEN
De uitspraak van de Raad van 24 augustus 2016 berust op de overweging dat het griffierecht niet is betaald.
In het verzetschrift heeft appellant onder meer betoogd dat ook indien het netto-inkomen maandelijks meer bedraagt dan 90% van de voor een alleenstaande geldende (maximale) bijstandsnorm, er sprake kan zijn van betalingsonmacht.
De Raad is van oordeel dat appellant in verzet geen feiten of omstandigheden heeft aangevoerd op grond waarvan zou moeten geoordeeld dat hij niet in verzuim is geweest.
In zijn uitspraak van 13 februari 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:282) heeft de Raad beslist dat indien het inkomen van een rechtzoekende 90% of meer van de voor een alleenstaande geldende (maximale) bijstandsnorm bedraagt, er geen sprake is van betalingsonmacht.
Appellant heeft niet betwist dat zijn maandelijkse netto-inkomen hoger is dan de hiervoor vermelde inkomensgrens. Hij heeft enkel betoogd dat in zijn situatie ondanks de hoogte van zijn inkomen sprake is van betalingsonmacht.
Het voorgaande betekent dat het verzet ongegrond wordt verklaard.
Voor een proceskostenveroordeling van het verzet is geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door T.G.M. Simons, in tegenwoordigheid van N. Talhaoui als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 april 2017.
(getekend) T.G.M. Simons
(getekend) N. Talhaoui