Socialezekerheidsrecht
Afwijzing verzoek om herziening. Geen feiten of omstandigheden als bedoeld in art. 8:119, lid 1, Awb.
ECLI:NL:CRVB:2017:2694 · Centrale Raad van Beroep · 4 augustus 2017
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/centrale-raad-van-beroep/bestuursrecht/socialezekerheidsrecht/hoger-beroep/ecli-nl-crvb-2017-2694
Zaakgegevens
Op 4 augustus 2017 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.
- Instantie
- Centrale Raad van BeroepCentrale Raad van BeroepDe hoogste bestuursrechter voor sociale zekerheid en ambtenarenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 4 augustus 2017
- Datum publicatie
- 4 augustus 2017
- Zaaknummer
- 16/6953 ANW
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:CRVB:2017:2694
Samenvatting
Afwijzing verzoek om herziening. Geen feiten of omstandigheden als bedoeld in art. 8:119, lid 1, Awb.
Uitspraak
Inhoudsopgave
16/6953 ANW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van 13 augustus 2014, 13/5408 ANW
Partijen:
[Verzoekster] te [woonplaats], Marokko (verzoekster)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)
Datum uitspraak: 4 augustus 2017
PROCESVERLOOP
Verzoekster heeft verzocht om herziening van de uitspraak van de Raad van
13 augustus 2014.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 juni 2017. Verzoekster is niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door K. van Ingen.
OVERWEGINGEN
1. Bij uitspraak van 26 maart 2014, 13/5408 ANW, heeft de Raad het hoger beroep van verzoekster tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 22 augustus 2013, 12/6284 ANW, niet-ontvankelijk verklaard omdat het griffierecht niet was betaald.
2. Bij uitspraak van 13 augustus 2014, 13/5408 ANW, heeft de Raad het verzet van verzoekster tegen de uitspraak van 26 maart 2014 ongegrond verklaard. De Raad heeft het hoger beroep terecht niet-ontvankelijk verklaard omdat het verschuldigde griffierecht niet was betaald.
3. Bij uitspraak van 10 december 2015, 14/5468 ANW, heeft de Raad het verzoek om herziening van de uitspraak van 13 augustus 2014 afgewezen.
4. Bij uitspraak van 20 september 2016, 16/1057 ANW, heeft de Raad een nieuw verzoek om herziening van de uitspraak van 13 augustus 2014 wederom afgewezen.
5. Ingevolge artikel 8:119, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de bestuursrechter op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die:
a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,
b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en
c. waren zij bij de bestuursrechter eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.
6. Verzoekster heeft in haar brieven geen feiten of omstandigheden genoemd die bij haar niet bekend waren of redelijkerwijs niet bekend konden zijn vóór de uitspraak van 13 augustus 2014. Reeds daarom voldoet het verzoek niet aan de in artikel 8:119, eerste lid, van de Awb gestelde eisen. Het verzoek om herziening moet dan ook worden afgewezen.
7. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om herziening af.
Deze uitspraak is gedaan door E.E.V. Lenos, in tegenwoordigheid van N. van Rooijen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 augustus 2017.
(getekend) E.E.V. Lenos
(getekend) N. van Rooijen