Socialezekerheidsrecht
Proceskostenveroordeling bij volledig tegemoetkomen.
Centrale Raad van Beroep, 7 maart 2017
ECLI:NL:CRVB:2017:935 · Centrale Raad van Beroep · 7 maart 2017
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/centrale-raad-van-beroep/bestuursrecht/socialezekerheidsrecht/hoger-beroep/ecli-nl-crvb-2017-935
Zaakgegevens
Op 7 maart 2017 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.
- Instantie
- Centrale Raad van BeroepCentrale Raad van BeroepDe hoogste bestuursrechter voor sociale zekerheid en ambtenarenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 7 maart 2017
- Datum publicatie
- 8 maart 2017
- Zaaknummer
- 14/1519 WWB
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:CRVB:2017:935
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Proceskostenveroordeling bij volledig tegemoetkomen.
Uitspraak
Datum uitspraak: 7 maart 2017
14/1519 WWB, 14/1520 WWB
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van
20 februari 2014, 13/4804 en 13/3940 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Nissewaard (college)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. J. van den Ende, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Bij brief van 10 oktober 2016 heeft J. van den Ende namens appellant het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht het college te veroordelen in de (proces)kosten die appellant in bezwaar, beroep en hoger beroep heeft gemaakt.
Het college heeft gebruik gemaakt van de gelegenheid een verweerschrift in te dienen.
Met toestemming van partijen is het onderzoek ter zitting achterwege gelaten. Vervolgens is het onderzoek gesloten.
OVERWEGINGEN
Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
Vastgesteld wordt dat het hoger beroep is ingetrokken omdat het college aan de bezwaren van appellant is tegemoetgekomen door de beslissingen op bezwaar van 28 mei 2013 en 19 juni 2013 in te trekken en de ten aanzien van appellant genomen besluiten van 22 maart 2013 te herroepen. Het college heeft in zijn verweerschrift erkend dat genoemde beslissingen op bezwaar achteraf gezien onrechtmatig waren.
Het college wordt veroordeeld in de kosten die appellant in verband met de behandeling van de beroepen en het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Tot vergoeding van de kosten in bezwaar bestaat geen aanleiding, reeds omdat daarom in bezwaar niet is verzocht en om die reden niet voldaan is aan artikel 7:15, tweede lid, van de Awb. De proceskosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op € 990,- in beroep en
€ 495,- in hoger beroep, voor verleende rechtsbijstand.
Voor vergoeding van het betaalde griffierecht in beroep en hoger beroep kan appellant zich rechtstreeks tot het college wenden.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep veroordeelt het college in de kosten van appellant tot een bedrag van € 1.485,-.
Deze uitspraak is gedaan door W.F. Claessens, in tegenwoordigheid van
E. Blijleven-de Vries als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 maart 2017.
(getekend) W.F. Claessens
(getekend) E. Blijleven-de Vries