Socialezekerheidsrecht
Afgewezen aanvraag. Geen hoofdverblijf op uitkeringsadres en voeren gezamenlijke huishouding.
Centrale Raad van Beroep, 10 juli 2018
ECLI:NL:CRVB:2018:2312 · Centrale Raad van Beroep · 10 juli 2018
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/centrale-raad-van-beroep/bestuursrecht/socialezekerheidsrecht/hoger-beroep/ecli-nl-crvb-2018-2312
Zaakgegevens
Op 10 juli 2018 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.
- Instantie
- Centrale Raad van BeroepCentrale Raad van BeroepDe hoogste bestuursrechter voor sociale zekerheid en ambtenarenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 10 juli 2018
- Datum publicatie
- 30 juli 2018
- Zaaknummer
- 17/3115 PW-PV
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:CRVB:2018:2312
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Afgewezen aanvraag. Geen hoofdverblijf op uitkeringsadres en voeren gezamenlijke huishouding.
Uitspraak
17 3115 PW-PV
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 15 maart 2017, 16/6289 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Capelle aan den IJssel (college)
Datum uitspraak: 10 juli 2018
Zitting heeft: W.H. Bel als lid van de enkelvoudige kamer.
Griffier: S.H.H. Slaats
Partijen zijn, met bericht, niet verschenen.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overweging:
In hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam (ECLI:NL:RBROT:2017:1939) heeft appellante gronden aangevoerd over het hebben van hoofdverblijf op het opgegeven adres in de periode van 3 november 2015 tot en met
3 december 2015 (periode 1) en over het ontbreken van wederzijdse zorg in relatie tot haar tante, [naam tante] ( [X] ), met wie zij – wat tussen partijen niet in geschil is – een gezamenlijk hoofdverblijf heeft op het opgegeven adres in de periode van 11 februari 2016 tot en met 6 april 2016 (periode 2). Deze gronden zijn een herhaling van wat appellante in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. Appellante heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde weerlegging van de betrokken gronden in de aangevallen uitspraak onjuist dat wel onvolledig is. De Raad kan zich geheel vinden in het oordeel van de rechtbank en in de overwegingen waarop dat oordeel rust. Het college heeft dan ook terecht de aanvraag om bijstand afgewezen op de grond dat appellante in periode 1 geen hoofdverblijf had op het opgegeven adres en in periode 2 een gezamenlijke huishouding voerde met [X].
Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier Lid van de enkelvoudige kamer
(getekend) S.H.H. Slaats (getekend) W.H. Bel
Voor eensluidend afschrift
de griffier van de
Centrale Raad van Beroep
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over gezamenlijke huishouding.