Socialezekerheidsrecht
Geen vervoersvoorziening in de vorm van collectief aanvullend vervoer (taxibus) op grond van de Wmo 2015. Het…
Centrale Raad van Beroep, 1 augustus 2018
ECLI:NL:CRVB:2018:2346 · Centrale Raad van Beroep · 1 augustus 2018
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/centrale-raad-van-beroep/bestuursrecht/socialezekerheidsrecht/hoger-beroep/ecli-nl-crvb-2018-2346
Zaakgegevens
Op 1 augustus 2018 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.
- Instantie
- Centrale Raad van BeroepCentrale Raad van BeroepDe hoogste bestuursrechter voor sociale zekerheid en ambtenarenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 1 augustus 2018
- Datum publicatie
- 1 augustus 2018
- Zaaknummer
- 17/4656 WMO15
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:CRVB:2018:2346
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Geen vervoersvoorziening in de vorm van collectief aanvullend vervoer (taxibus) op grond van de Wmo 2015. Het college heeft het bestreden besluit mogen baseren op het advies van de GGD-arts. Geen benoeming deskundige.
Uitspraak
17 4656 WMO15
Datum uitspraak: 1 augustus 2018
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van
15 juni 2017, 16/9198 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (college)
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. M.P. de Witte, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 juni 2018. Namens appellante is mr. De Witte verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door M.J. Logan.
OVERWEGINGEN
1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 10 november 2016 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Bij het bestreden besluit heeft het college, beslissend op bezwaar, zijn standpunt gehandhaafd dat aan appellante geen vervoersvoorziening in de vorm van collectief aanvullend vervoer (taxibus) op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) wordt verstrekt. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het rapport van de GGD-arts van 12 augustus 2016 op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen en dat geen aanleiding bestaat om te twijfelen aan de juistheid van dat rapport. De GGD-arts heeft een anamnese afgenomen, het functioneren van appellante geobserveerd en lichamelijk onderzoek verricht. Hij heeft verder de door de huisarts van appellante verstrekte informatie in zijn rapport betrokken. Volgens de rechtbank heeft het college het bestreden besluit daarom mogen baseren op het advies van de GGD-arts.
2. Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat de vervoersvoorziening ten onrechte is geweigerd. Zij heeft daarbij gewezen op de verklaring van haar huisarts van 1 augustus 2016 en op haar scala aan medische klachten die in onderlinge samenhang moeten worden beschouwd. Bovendien was eerder aan haar wel een vervoersvoorziening toegekend. Appellante heeft de Raad verzocht een deskundige te benoemen.
3. De Raad oordeelt als volgt.
Appellante heeft in hoger beroep geen wezenlijk nieuwe of andere gronden naar voren gebracht of redenen vermeld waarom de rechtbank tot een ander oordeel had moeten komen. De rechtbank heeft deze beroepsgronden in de aangevallen uitspraak afdoende besproken en genoegzaam gemotiveerd waarom deze niet leiden tot een vernietiging van het bestreden besluit.
De Raad onderschrijft de overwegingen en het daarop gebaseerde oordeel van de rechtbank over de beroepsgronden volledig en verwijst daarnaar. De Raad voegt hieraan toe dat uit het rapport van 12 augustus 2016 blijkt dat de GGD-arts de klachten in samenhang heeft bekeken. Dat aan appellante in het verleden een vervoersvoorziening was toegekend, betekent niet dat zij daar ook nu weer aanspraak op kan maken. Appellante heeft een nieuwe aanvraag gedaan, waardoor een nieuw beoordelingsmoment is ontstaan. Bovendien is appellante in deze procedure pas voor het eerst medisch onderzocht. Nu het medisch onderzoek zorgvuldig is geweest, appellante voldoende gelegenheid heeft gehad om zelf medische stukken over te leggen en daarvan ook gebruik heeft gemaakt en appellante onvoldoende twijfel heeft gezaaid over de inhoudelijke medische beoordeling door de GGD-arts, bestaat er geen aanleiding om een deskundige te benoemen.
Het hoger beroep slaagt niet. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
4. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M.F. Wagner als voorzitter en L.M. Tobé en N.R. Docter als leden, in tegenwoordigheid van M.A.A. Traousis als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 augustus 2018.
(getekend) M.F. Wagner
(getekend) M.A.A. Traousis
ew