Socialezekerheidsrecht
WIA-uitkering terecht geweigerd. Geen sprake van toegenomen arbeidsongeschiktheid.
Centrale Raad van Beroep, 12 september 2018
ECLI:NL:CRVB:2018:2775 · Centrale Raad van Beroep · 12 september 2018
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/centrale-raad-van-beroep/bestuursrecht/socialezekerheidsrecht/hoger-beroep/ecli-nl-crvb-2018-2775
Zaakgegevens
Op 12 september 2018 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.
- Instantie
- Centrale Raad van BeroepCentrale Raad van BeroepDe hoogste bestuursrechter voor sociale zekerheid en ambtenarenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 12 september 2018
- Datum publicatie
- 12 september 2018
- Zaaknummer
- 16/4023 WIA
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:CRVB:2018:2775
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
WIA-uitkering terecht geweigerd. Geen sprake van toegenomen arbeidsongeschiktheid.
Procesgang
Uitspraak · 2016
ECLI:NL:RBROT:2016:4223Centrale Raad van Beroep · 12 september 2018deze uitspraak
ECLI:NL:CRVB:2018:2775
Bekrachtiging/bevestigingBekrachtigingDe hogere rechter laat de eerdere uitspraak in stand: de uitkomst blijft hetzelfde.Meer uitleg
Uitspraak
16 4023 WIA
Datum uitspraak: 12 september 2018
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 7 juni 2016, 15/3705 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. B.J. Manspeaker, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 augustus 2018. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Manspeaker. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door
drs. J.C. van Beek.
OVERWEGINGEN
Appellant was laatstelijk werkzaam als bedradingsmonteur voor 33,84 uur per week. Hij heeft zich op 15 augustus 2012, vanuit de situatie dat hij een uitkering op grond van de Werkloosheidwet ontving, ziek gemeld wegens rechteronderbeenklachten. Op 3 juni 2014 heeft appellant een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) aangevraagd. Bij besluit van 29 juli 2014 heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellant met ingang van 13 augustus 2014 geen recht is ontstaan op WIA-uitkering, omdat appellant met ingang van die datum minder dan 35% arbeidsongeschiktheid was.
Bij formulier “Wijzigingen doorgeven” heeft appellant op 12 oktober 2014 gemeld dat zijn gezondheid per die datum is verslechterd en dat hij een WIA-uitkering wenst. Naar aanleiding van de melding heeft appellant op 10 december 2014 het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts van het Uwv. Deze arts heeft aangegeven dat er geen objectieve veranderingen waren in de belastbaarheid ten opzichte van 13 augustus 2014. Het Uwv heeft bij besluit van 5 januari 2015 geweigerd appellant in aanmerking te brengen voor een
WIA-uitkering.
Het Uwv heeft het bezwaar van appellant tegen dit besluit bij besluit van 26 mei 2015 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Daaraan heeft het Uwv ten grondslag gelegd een rapport van 18 mei 2015 van een verzekeringsarts bezwaar en beroep.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft – voor zover hier van belang – overwogen dat uit de melding van appellant en de daaraan ten grondslag gelegde gegevens niet volgt dat het Uwv de functionele mogelijkheden van appellant voor de datum in geding onjuist heeft vastgesteld. Gelet hierop heeft de rechtbank geoordeeld dat het door het Uwv ingenomen standpunt dat de medische beperkingen van appellant per 12 oktober 2014 niet zijn toegenomen, juist is.
Appellant heeft in hoger beroep herhaald dat de verzekeringsartsen ten onrechte geen medische informatie hebben opgevraagd bij de behandelend sector. Ook heeft appellant wederom naar voren gebracht dat hij per 12 oktober 2014 meer beperkingen had dan per
13 augustus 2014. Appellant heeft zich op het standpunt gesteld dat zijn klachten in oktober 2014 zijn toegenomen en dat dit heeft geleid tot een operatie die heeft plaatsgevonden op
13 juli 2015. Appellant heeft ter onderbouwing van zijn standpunt een overzicht van de huisartsinformatie overgelegd van 13 juni 2016.
Het Uwv heeft, onder verwijzing naar een rapport van 3 oktober 2017 van een verzekeringsarts bezwaar en beroep, bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit. Het Uwv heeft erop gewezen dat appellant bij besluit van 1 oktober 2015 in verband met een operatie op 13 juli 2015 vanaf die datum in aanmerking is gebracht voor een loongerelateerde WGA-uitkering.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Tussen partijen is slechts in geding of per 12 oktober 2014 sprake is van toegenomen arbeidsongeschiktheid als bedoeld in artikel 55 van de Wet WIA. Voor een weergave van dit artikel wordt verwezen naar overweging 4.2 van de aangevallen uitspraak.
De in hoger beroep aangevoerde gronden die ook reeds in beroep zijn aangevoerd zijn door de rechtbank in de overwegingen 4.1 tot en met 6.2 van de aangevallen uitspraak op juiste wijze besproken en beoordeeld. Volstaan wordt met een verwijzing hiernaar.
De eerst in hoger beroep verstrekte informatie van de huisarts van appellant leidt evenmin tot het oordeel dat het standpunt van het Uwv, dat geen sprake is van toegenomen arbeidsongeschiktheid per 12 oktober 2014, onjuist is. Uit de door appellant overgelegde informatie van de huisarts blijkt niet dat appellant zich rondom 12 oktober 2014 bij de huisarts heeft gemeld met toegenomen klachten. Uit het rapport van 3 oktober 2017, genoemd in 3.2, volgt dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep nog informatie heeft ingewonnen bij de chirurg die appellant op 13 juli 2015 heeft geopereerd. Hij heeft op inzichtelijke wijze uiteengezet dat ook uit die informatie niet blijkt dat sprake is van toegenomen arbeidsongeschiktheid per 12 oktober 2014.
Uit hetgeen is overwogen in 4.1 tot en met 4.3 vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.
Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter, en B.M. van Dun en J. Brand als leden, in tegenwoordigheid van O.V. Vries als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 september 2018.
(getekend) H.G. Rottier
(getekend) O.V. Vries
IvR