Socialezekerheidsrecht
Verzet niet-ontvankelijk.
Centrale Raad van Beroep, 7 september 2018
ECLI:NL:CRVB:2018:2962 · Centrale Raad van Beroep · 7 september 2018
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/centrale-raad-van-beroep/bestuursrecht/socialezekerheidsrecht/hoger-beroep/ecli-nl-crvb-2018-2962
Zaakgegevens
Op 7 september 2018 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.
- Instantie
- Centrale Raad van BeroepCentrale Raad van BeroepDe hoogste bestuursrechter voor sociale zekerheid en ambtenarenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 7 september 2018
- Datum publicatie
- 27 september 2018
- Zaaknummer
- 17/3557 WAO-V
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:CRVB:2018:2962
Samenvatting
Verzet niet-ontvankelijk.
Uitspraak
Datum uitspraak: 7 september 2018
17/3557 WAO-V
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak, bedoeld in de artikelen 8:55, zevende lid, en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 29 maart 2017, 16/7451 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats], Marokko (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Zitting heeft: H.C.P. Venema
Griffier: C.A.E. Bon
Ter zitting is niemand verschenen.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep verklaart het verzet niet-ontvankelijk.
GRONDEN VAN DE BESLISSING
Bij uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht van
21 maart 2018 heeft de Raad het hoger beroep van appellant tegen de aangevallen uitspraak
niet-ontvankelijk verklaard omdat het griffierecht niet tijdig is betaald.
De Raad ziet zich allereerst, ambtshalve, gesteld voor de vraag naar de ontvankelijkheid van het verzet.
De laatste dag waarop tijdig een verzetschrift kon worden ingediend, was 2 mei 2018. Het door appellant ingediende verzetschrift is gedateerd op 20 april 2018, is blijkens de poststempel op
3 mei 2018 ter post bezorgd en is op 16 mei 2018 bij de Raad ontvangen. De termijn voor het indienen van een verzetschrift is aldus overschreden.
Appellant heeft als reden van de termijnoverschrijding aangevoerd dat een andere persoon met dezelfde achternaam zijn post ontvangt en de voor appellant bestemde brieven weggooit. De Raad is van oordeel dat appellant geen feiten of omstandigheden heeft aangevoerd op grond waarvan zou moeten worden geoordeeld dat hij niet in verzuim is geweest. Een afschrift van de uitspraak van de Raad van 21 maart 2018 is als bijlage gevoegd bij het door appellant ingediende verzetschrift. Hiermee staat vast dat de uitspraak appellant heeft bereikt. Appellant heeft geen toereikende verklaring gegeven voor de late toezending van zijn verzetschrift.
Dit betekent dat het verzet niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
Het bedrag van het te laat betaalde griffierecht (€ 124,-) is door de griffier van de Raad aan appellant terugbetaald.
Voor een veroordeling in de proceskosten van het verzet is geen aanleiding.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier De voorzitter
(getekend) C.A.E. Bon (getekend) H.C.P. Venema