Socialezekerheidsrecht
Boete reeds betaald. Geen grond voor (verdere) matiging.
Centrale Raad van Beroep, 18 september 2018
ECLI:NL:CRVB:2018:3074 · Centrale Raad van Beroep · 18 september 2018
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/centrale-raad-van-beroep/bestuursrecht/socialezekerheidsrecht/hoger-beroep/ecli-nl-crvb-2018-3074
Zaakgegevens
Op 18 september 2018 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.
- Instantie
- Centrale Raad van BeroepCentrale Raad van BeroepDe hoogste bestuursrechter voor sociale zekerheid en ambtenarenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 18 september 2018
- Datum publicatie
- 8 oktober 2018
- Zaaknummer
- 16-7898 PW-PV
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:CRVB:2018:3074
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Boete reeds betaald. Geen grond voor (verdere) matiging.
Uitspraak
16 7898/PW-PV
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 30 november 2016, 16/1264 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Venray (college)
Datum uitspraak: 18 september 2018
Zitting hebben: E.C.R. Schut als voorzitter en W.F. Claessens en J.T.H. Zimmerman als leden
Griffier: A.M. Pasmans
Ter zitting is namens appellant verschenen mr. R.M.M. Menting, advocaat. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.P.A. van Wijlick.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 september 2018. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen:
Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd voor zover daarbij het beroep tegen het nadere besluit van 8 november 2016, waarbij de opgelegde boete rekening houdend met een fictieve draagkracht bij grove schuld is verlaagd naar € 1.740,-, ongegrond is verklaard.
Appellant heeft als enige beroepsgrond aangevoerd dat het college bij het vaststellen van de hoogte van de boete onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn financiële omstandigheden, omdat de beslagvrije voet in zijn geval hoger is dan die waarvan het college bij zijn besluitvorming is uitgegaan. Deze beroepsgrond slaagt niet. Al omdat appellant het bij het nadere besluit van 8 november 2016 vastgestelde boetebedrag van € 1.740,- volledig heeft voldaan en hij daarvoor blijkbaar voldoende draagkracht heeft gehad, vormen de financiële omstandigheden van appellant geen aanleiding voor een verdergaande matiging dan dit betaalde bedrag. Dat appellant het boetebedrag heeft afgelost via inhouding op zijn remigratie-uitkering, maakt dit niet anders. Gelet hierop behoeft datgene wat appellant heeft aangevoerd over de hoogte van de voor hem geldende beslagvrije voet geen bespreking meer.
Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier De voorzitter
(getekend) A.M. Pasmans (getekend) E.C.R. Schut