Socialezekerheidsrecht
Terugvordering in verband met onroerend goed in Turkije. Intrekking staat in rechte vast.
ECLI:NL:CRVB:2018:3147 · Centrale Raad van Beroep · 25 september 2018
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/centrale-raad-van-beroep/bestuursrecht/socialezekerheidsrecht/hoger-beroep/ecli-nl-crvb-2018-3147
Zaakgegevens
Op 25 september 2018 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.
- Instantie
- Centrale Raad van BeroepCentrale Raad van BeroepDe hoogste bestuursrechter voor sociale zekerheid en ambtenarenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 25 september 2018
- Datum publicatie
- 12 oktober 2018
- Zaaknummer
- 16-5957 PW-PV
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:CRVB:2018:3147
Samenvatting
Terugvordering in verband met onroerend goed in Turkije. Intrekking staat in rechte vast.
Uitspraak
Inhoudsopgave
16 5957 PW-PV
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 3 augustus 2016, 15/3859 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Venray (college)
Datum uitspraak: 25 september 2018
Zitting hebben: M. Hillen, Y.J. Klik en E.C.G. Okhuizen.
Griffier: F.H.R.M. Robbers.
Namens appellant is verschenen mr. E. Kaya, advocaat. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door C. Volleberg.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen:
Het geschil ziet op de terugvordering van bijstand van appellant over de periode van
12 mei 2009 tot en met 28 februari 2015. Aan het besluit tot terugvordering van 29 juni 2015 heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant geen melding heeft gemaakt van het bezit van meerdere onroerende zaken in Turkije.
De Raad stelt met de rechtbank vast dat appellant tegen het besluit tot intrekking van bijstand van 19 mei 2015 geen rechtsmiddel heeft aangewend. Daarmee is het besluit tot intrekking van de bijstand over de periode vanaf 12 mei 2009 in rechte onaantastbaar geworden. Een inhoudelijke beoordeling van de juistheid van de intrekking, die appellant ook in hoger beroep voorstaat, kan niet meer aan de orde kan zijn.
Gegeven de in rechte vaststaande intrekking van de bijstand was het college verplicht op grond van artikel 58, eerste lid, van de Participatiewet de gemaakte kosten van bijstand van appellant terug te vorderen. Appellant heeft tegen de terugvordering geen zelfstandige gronden aangevoerd.
Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier De voorzitter
(getekend) F.H.R.M. Robbers (getekend) M. Hillen