Socialezekerheidsrecht
Niet-ontvankelijkverklaring beroep. Door het niet verschijnen ter zitting heeft appellant de rechtbank de…
ECLI:NL:CRVB:2018:3770 · Centrale Raad van Beroep · 13 november 2018
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/centrale-raad-van-beroep/bestuursrecht/socialezekerheidsrecht/hoger-beroep/ecli-nl-crvb-2018-3770
Zaakgegevens
Op 13 november 2018 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.
- Instantie
- Centrale Raad van BeroepCentrale Raad van BeroepDe hoogste bestuursrechter voor sociale zekerheid en ambtenarenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 13 november 2018
- Datum publicatie
- 28 november 2018
- Zaaknummer
- 17/4547 PW
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:CRVB:2018:3770
Samenvatting
Niet-ontvankelijkverklaring beroep. Door het niet verschijnen ter zitting heeft appellant de rechtbank de mogelijkheid onthouden om tot een goede beoordeling van het geschil te komen. Niet is gebleken dat appellant niet behoorlijk is opgeroepen nu de oproep aangetekend is verstuurd naar het laatst bekende adres.
Uitspraak
Inhoudsopgave
17 4547 PW
Datum uitspraak: 13 november 2018
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van
24 mei 2017, 16/2826 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] , thans vermoedelijk verblijvende te Senegal (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Groningen (college)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft drs. C.D. Bartelds MA hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift en nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 oktober 2018. Namens appellant is verschenen drs. Bartelds MA. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. J. Scholte en M. Broere.
OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
Appellant ontving met ingang van 12 oktober 2012 bijstand, laatstelijk op grond van de Participatiewet (PW) naar de norm voor een alleenstaande.
Bij besluit van 8 december 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 6 juni 2016 (bestreden besluit), heeft het college de bijstand met ingang van 30 april 2015 ingetrokken en de over de periode van 30 april 2015 tot en met 31 oktober 2015 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 5.563,65 van appellant teruggevorderd. Aan de besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant niet woonachtig is op het uitkeringsadres aan het [adres 1] te [woonplaats 1] . Appellant heeft daarom niet voldaan aan zijn inlichtingenverplichting over zijn woonadres, als gevolg waarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.
Appellant heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting van 6 december 2016, waar drs. Barteld namens appellant is verschenen, geschorst. Vervolgens heeft de griffier van de rechtbank appellant bij aangetekende brief van 20 maart 2017 (oproepingsbrief) opgeroepen in persoon te verschijnen ter zitting van de rechtbank op 30 maart 2017. De oproepingsbrief is verstuurd naar het adres
[adres 1] . Appellant is wederom niet in persoon verschenen.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank heeft hieraan het volgende ten grondslag gelegd. Door het niet verschijnen ter zitting heeft appellant de rechtbank de mogelijkheid onthouden om tot een goede beoordeling van het geschil te komen. Tevens gaat de rechtbank ervan uit, nu appellant niet meer staat ingeschreven in de basisregistratie personen van de gemeente Groningen en er geen melding bekend is van verhuizing naar een andere gemeente dan wel naar een adres in het buitenland, dat appellant met onbekende bestemming is vertrokken. De gevolgen hiervan dienen voor rekening en risico van appellant te komen. Niet is gebleken dat appellant niet behoorlijk is opgeroepen nu de oproep aangetekend is verstuurd naar het laatst bekende adres. Daarom heeft de rechtbank met toepassing van artikel 8:31 van de Algemene wet bestuursrecht de gevolgtrekking gemaakt die haar geraden voorkomen.
3. In hoger beroep heeft appellant zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij heeft aangevoerd dat de rechtbank de oproepingsbrief niet naar zijn laatst bekende adres heeft verzonden. Appellant woonde op dat moment niet meer op het [adres 1] , maar op [adres 2] te [woonplaats 1] ( [adres 2] ). Hierdoor wist hij niet dat hij verplicht was voor de rechtbank te verschijnen en is hem de gelegenheid ontnomen om zijn standpunt over het bestreden besluit persoonlijk uit de doeken te doen. Appellant is hierdoor in zijn belangen geschaad. Verder heeft appellant aangevoerd dat zijn gemachtigde ten onrechte geen afschrift van de oproepingsbrief heeft ontvangen.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Uit de door het college bij het verweerschrift overgelegde stukken is het volgende gebleken. Per 31 juli 2016 staat appellant ingeschreven op de [adres 2] . Bij brief van 6 december 2016 is appellant door de afdeling Burgerzaken van de gemeente Groningen op de hoogte gesteld van een onderzoek naar zijn verblijfplaats (adresonderzoek). Appellant heeft in een e-mailbericht van 14 februari 2017 aan de gemeente te kennen gegeven dat hij veel onderweg is in het binnen- en buitenland. Twee medewerkers van de afdeling Handhaving (medewerkers) hebben in het kader van het adresonderzoek op 24 februari 2017 een huisbezoek afgelegd op de [adres 2] . Deze medewerkers hebben gesproken met twee bewoners van het pand. Deze bewoners hebben te kennen gegeven dat zij appellant nog nooit gezien hebben en dat hij daar niet woont. De bewoners hebben een groepsapp voor alle bewoners van het pand. Appellant maakt geen onderdeel uit van die groepsapp. Bovendien hebben de medewerkers er melding van gemaakt dat het niet mogelijk is dat appellant op het adres woont, omdat alle kamers in de woning worden gebruikt door vier bewoners. Er is geen ruimte over waar appellant zijn hoofdverblijf zou kunnen hebben.
Uit de bevindingen van het adresonderzoek volgt dat appellant nooit op de [adres 2] heeft gewoond, dus ook niet ten tijde van de verzending van de oproepingsbrief. Dit betekent dat de rechtbank terecht de oproepingsbrief naar het adres [adres 1] heeft gestuurd, het adres dat appellant bij de indiening van zijn beroepschrift bij de rechtbank heeft opgegeven. Appellant kan daarom niet worden gevolgd in zijn stelling dat hij door deze handelwijze van de rechtbank in zijn belangen is geschaad. Dat appellant de oproepingsbrief niet heeft afgehaald, dient voor zijn rekening en risico te komen. Dat de gemachtigde van appellant geen afschrift van de oproepingsbrief heeft gehad, maakt dat in dit geval niet anders. De gemachtigde heeft ter zitting van de rechtbank op 30 maart 2017 in reactie op de vraag van de rechtbank of appellant wel bestaat geantwoord appellant wel eens te hebben gezien en een paar weken daarvoor alleen per e-mail contact met appellant te hebben gehad. Verder heeft de gemachtigde de rechtbank gesuggereerd alsnog een brief naar de [adres 2] te sturen. Gelet op het verhandelde ter zitting van de rechtbank staat niet vast dat een afschrift van de oproepingsbrief aan de gemachtigde tot het gewenste effect van het verschijnen van appellant op de zitting had geleid.
Uit 4.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door W.H. Bel, in tegenwoordigheid van F.H.R.M. Robbers als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 november 2018.
(getekend) W.H. Bel
(getekend) F.H.R.M. Robbers
md