Socialezekerheidsrecht
Toepassing kostendelersnorm. Grond dat het bestreden besluit niet zorgvuldig is genomen en niet deugdelijk is…
ECLI:NL:CRVB:2018:3774 · Centrale Raad van Beroep · 20 november 2018
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/centrale-raad-van-beroep/bestuursrecht/socialezekerheidsrecht/hoger-beroep/ecli-nl-crvb-2018-3774
Zaakgegevens
Op 20 november 2018 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.
- Instantie
- Centrale Raad van BeroepCentrale Raad van BeroepDe hoogste bestuursrechter voor sociale zekerheid en ambtenarenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 20 november 2018
- Datum publicatie
- 28 november 2018
- Zaaknummer
- 17/4864 PW-PV
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:CRVB:2018:3774
Samenvatting
Toepassing kostendelersnorm. Grond dat het bestreden besluit niet zorgvuldig is genomen en niet deugdelijk is gemotiveerd, is niet toegelicht. Evenmin als de grond dat de kostendelersnorm ten onrechte is toegepast.
Uitspraak
Inhoudsopgave
17 4864 PW-PV
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 31 mei 2017, 16/6910 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)
Datum uitspraak: 20 november 2018
Zitting heeft: F. Hoogendijk
Griffier: J. Tuit
Appellant is niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. L. van den Buijs.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
1. Appellant ontving van 17 maart 2015 tot en met 16 april 2016 een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW). Hij heeft op 25 maart 2016 bijstand op grond van de Participatiewet (PW) aangevraagd. Bij besluit van 25 april 2016 heeft het college de aanvraag van appellant afgewezen op de grond dat hij mogelijk een beroep kon doen op een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW). Bij besluit van 29 april 2016 is de aanvraag van appellant om een WW-uitkering afgewezen. Appellant heeft op 9 mei 2016 opnieuw bijstand op grond van de PW aangevraagd. Bij besluit van 20 juni 2016 heeft het college appellant met ingang van 17 april 2016 bijstand toegekend en de hoogte vastgesteld overeenkomstig de kostendelersnorm, namelijk op 38% van het wettelijk minimumloon. Het college heeft bij besluit van 16 september 2016 (bestreden besluit) de besluiten van 25 april 2016 en 20 juni 2016 na bezwaar gehandhaafd.
2. Appellant heeft in beroep tegen het bestreden besluit aangevoerd dat dit niet zorgvuldig is genomen en niet deugdelijk is onderbouwd. Appellant heeft verder aangevoerd dat het college ten onrechte de kostendelersnorm heeft toegepast en dat het college, gelet op de financiële gevolgen voor hem, geen redelijke belangenafweging heeft gemaakt.
3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat aan inwilliging van de eerste aanvraag om bijstand de WW als voorliggende voorziening in de weg stond en dat op de tweede aanvraag om bijstand terecht is besloten tot toekenning van de bijstand met ingang van de datum na die, waarop de ZW-uitkering was geëindigd. Naar het oordeel van de rechtbank is de kostendelersnorm daarbij terecht toegepast, omdat appellant de woning deelde met vier anderen en artikel 22a van de PW geen ruimte laat voor een belangenafweging.
4. De gronden die appellant in hoger beroep heeft aangevoerd zijn een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. Appellant heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde weerlegging van de betrokken gronden in de aangevallen uitspraak onjuist dan wel onvolledig is. Zijn standpunt dat het bestreden besluit niet zorgvuldig is genomen en niet deugdelijk is onderbouwd heeft appellant niet toelichting en niet onderbouwd. Langs welke weg het college met de financiële gevolgen van de toepassing van de kostendelersnorm had moeten rekening houden heeft appellant evenmin toegelicht. De Raad kan zich geheel vinden in het oordeel van de rechtbank en in de overwegingen waarop dat oordeel rust.
6. Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt daarom bevestigd.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier Lid van de enkelvoudige kamer
(getekend) J. Tuit (getekend) F. Hoogendijk
md