Socialezekerheidsrecht

Geen belang meer bij beoordeling hoger beroep. Hoger beroep niet-ontvankelijk. Proceskosten.

Centrale Raad van Beroep, 18 december 2018

Zaakgegevens

Op 18 december 2018 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18 december 2018
Datum publicatie
18 december 2018
Zaaknummer
17/7404 PW
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:CRVB:2018:4122
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Geen belang meer bij beoordeling hoger beroep. Hoger beroep niet-ontvankelijk. Proceskosten.

Procesgang

  1. Uitspraak · 2017

    ECLI:NL:RBZWB:2017:6331
  2. Centrale Raad van Beroep · 18 december 2018deze uitspraak

    ECLI:NL:CRVB:2018:4122

    Niet ontvankelijk

Uitspraak

Datum uitspraak: 18 december 2018

17/7404 PW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van
5 oktober 2017, 17/3466 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Tilburg (college)

PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Bij brief van 7 maart 2018 heeft mr. M.M.M. Minkels, advocaat, zich als gemachtigde gesteld en nadere gronden ingediend.

Het college heeft op 29 mei 2018 een nieuwe beslissing (nader besluit) genomen.


Hierop heeft mr. Minkels op 27 juni 2018 een zienswijze gegeven en verzocht om het college te veroordelen in de proceskosten en om vergoeding van de door appellante geleden schade, bestaande uit wettelijke rente over de na te betalen bijstand.

Het college heeft vervolgens laten weten dat het zich, voor wat betreft het verzoek van appellante, refereert aan het oordeel van de Raad.

Partijen hebben verklaard geen gebruik te willen maken van het recht ter zitting te worden gehoord, waarna de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht heeft gesloten.

OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding nog van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Bij besluit van 10 februari 2017, na bezwaar gehandhaafd na bezwaar bij besluit van 30 maart 2017 (bestreden besluit), heeft het college de aan appellante verleende bijstand ingetrokken met ingang van 3 februari 2017.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

Bij het nader besluit heeft het college het besluit van 10 februari 2017 herroepen en de bijstand over de periode van 3 februari 2017 tot en met 8 oktober 2017 nabetaald in verband met de niet ontvangen uitkering over die periode.

Uit het voorgaande volgt dat appellante geen belang meer heeft bij een beoordeling van de aangevallen uitspraak, zodat het hoger beroep niet-ontvankelijk zal worden verklaard.

Aangezien het college met het nader besluit volledig aan het bezwaar van appellante is tegemoetgekomen, ziet de Raad aanleiding om het college te veroordelen in de kosten die appellante in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De proceskosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op € 1.002,- in beroep en € 501,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

Het verzoek van de gemachtigde van appellante om het college te veroordelen tot vergoeding van de wettelijke rente over de na te betalen uitkering wordt toegewezen. Voor de wijze waarop het college de rente dient te berekenen wordt verwezen naar de uitspraak van
25 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV1958.

Voor vergoeding van het betaalde griffierecht kan appellante zich rechtstreeks tot het college wenden.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
- veroordeelt het college tot vergoeding van de wettelijke rente als hiervoor aangegeven;
- veroordeelt het college in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.503,-.

Deze uitspraak is gedaan door W.F. Claessens, in tegenwoordigheid van L.R. Carlier als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 december 2018.

(getekend) W.F. Claessens

(getekend) L.R. Carlier

md