Socialezekerheidsrecht
Afwijzing aanvraag. Besteding geldbedrag van ca. € 96.000,- niet inzichtelijk gemaakt. Recht op bijstand niet…
ECLI:NL:CRVB:2018:4187 · Centrale Raad van Beroep · 4 december 2018
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/centrale-raad-van-beroep/bestuursrecht/socialezekerheidsrecht/hoger-beroep/ecli-nl-crvb-2018-4187
Zaakgegevens
Op 4 december 2018 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.
- Instantie
- Centrale Raad van BeroepCentrale Raad van BeroepDe hoogste bestuursrechter voor sociale zekerheid en ambtenarenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 4 december 2018
- Datum publicatie
- 21 december 2018
- Zaaknummer
- 16/7161 PW-PV
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:CRVB:2018:4187
Samenvatting
Afwijzing aanvraag. Besteding geldbedrag van ca. € 96.000,- niet inzichtelijk gemaakt. Recht op bijstand niet vast te stellen.
Uitspraak
Inhoudsopgave
16 7161 PW-PV, 17/4161 PW-PV
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Midden-Nederland van 7 oktober 2016, 16/840 (aangevallen uitspraak 1), en
8 mei 2017, 16/3983 (aangevallen uitspraak 2)
Partijen:
[Appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Gooise Meren (college)
Datum uitspraak: 4 december 2018
Zitting hebben: J.N.A. Bootsma als voorzitter en Y.J. Klik en A.M. Overbeeke als leden.
Griffier: J.M.M. van Dalen
Voor appellante is verschenen mr. E.W. van Voolen, advocaat. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door R. d’Accorso.
BESLISSING
De hoger beroepen slagen niet en de Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraken 1 en 2. Dit betekent dat de aanvragen om bijstand van 5 augustus 2015 en
18 januari 2016 terecht zijn afgewezen.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen:
Appellante had op 8 februari 2014 € 96.910,57 op de bank staan. Tot en met juli 2015 heeft zij hiervan € 46.490,- contant opgenomen en ook het bedrag dat nog op de bank stond bijna opgemaakt. Appellante heeft niet aangetoond dat zij niet meer beschikt over het contant opgenomen geld. Met de in hoger beroep overgelegde stukken heeft zij voor een flink deel van dit bedrag wel verklaard waaraan zij het heeft uitgegeven (bijvoorbeeld € 13.000,- contant aan boodschappen), maar op een enkele uitzondering na (bijvoorbeeld dierenartskosten) heeft zij deze uitgaven niet met bewijs onderbouwd. Het is dus niet te controleren of haar verklaring klopt. Haar recht op bijstand is daardoor niet vast te stellen.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier De voorzitter
(getekend) J.M.M. van Dalen (getekend) J.N.A. Bootsma