Socialezekerheidsrecht
Afwijzing aanvraag. Vermogen. Geen opeisbare schuld.
Centrale Raad van Beroep, 4 december 2018
ECLI:NL:CRVB:2018:4194 · Centrale Raad van Beroep · 4 december 2018
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/centrale-raad-van-beroep/bestuursrecht/socialezekerheidsrecht/hoger-beroep/ecli-nl-crvb-2018-4194
Zaakgegevens
Op 4 december 2018 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.
- Instantie
- Centrale Raad van BeroepCentrale Raad van BeroepDe hoogste bestuursrechter voor sociale zekerheid en ambtenarenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 4 december 2018
- Datum publicatie
- 21 december 2018
- Zaaknummer
- 17/1868 PW-PV
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:CRVB:2018:4194
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Afwijzing aanvraag. Vermogen. Geen opeisbare schuld.
Uitspraak
17 1868 PW-PV
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 31 januari 2017, 16/2239 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Groningen (college)
Datum uitspraak: 4 december 2018
Zitting hebben: J.N.A. Bootsma als voorzitter en Y.J. Klik en A.M. Overbeeke als leden.
Griffier: J.M.M. van Dalen
Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. N. Hollander, advocaat. Het college heeft zich niet laten vertegenwoordigen.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Dit betekent dat het college de aanvraag om bijstand van appellant van 1 december 2015 terecht heeft afgewezen wegens een te hoog eigen vermogen.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
De te beoordelen periode loopt van 1 december 2015 tot 28 januari 2016, de datum van het besluit tot afwijzing van de aanvraag. Appellant heeft met de ongedateerde en achteraf opgestelde verklaring van lening (Darlehensvertrag) niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van een tijdens de bijstandverlening opeisbare vordering, die de vader van appellant ook daadwerkelijk afdwingt. Deze lening hoeft dan ook niet te worden afgetrokken van het eigen vermogen.
Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier De voorzitter
(getekend) J.M.M. van Dalen (getekend) J.N.A. Bootsma