Socialezekerheidsrecht

Terechte afwijzing bijstand in verband met niet hebben Nederlandse nationaliteit.

Centrale Raad van Beroep, 9 april 2019

Zaakgegevens

Op 9 april 2019 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
9 april 2019
Datum publicatie
25 april 2019
Zaaknummer
17-6100 PW-PV
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:CRVB:2019:1413
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Terechte afwijzing bijstand in verband met niet hebben Nederlandse nationaliteit.

Uitspraak

17 6100 PW-PV

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 28 augustus 2017, 17/1351 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats], Suriname (appellant)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

Datum uitspraak: 9 april 2019

Zitting hebben:

O.L.H.W.I. Korte als voorzitter en P.W. van Straalen en J.T.H. Zimmerman als leden.

Griffier: S.A. de Graaff.

Appellant is ter zitting niet verschenen. Namens de Svb is verschenen mr. K. Verbeek.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.

Bij besluit van 8 november 2016, na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij besluit van

26 januari 2017 (bestreden besluit), heeft de Svb de aanvraag van appellant om een aanvullende inkomensvoorziening ouderen op grond van de Participatiewet (PW) afgewezen.

Daaraan heeft de Svb ten grondslag gelegd dat appellant in de te beoordelen periode niet de Nederlandse nationaliteit had. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

Appellant voert in hoger beroep aan dat hij niet de Nederlandse nationaliteit heeft verloren.

Die beroepsgrond slaagt niet. Bij beschikking van de Rechtbank Den Haag van 8 maart 2018, ECLI:NL:RBDHA:2018:2741, is het verzoek van appellant tot vaststelling van zijn Nederlanderschap afgewezen. Hieruit volgt dat appellant de Nederlandse nationaliteit niet heeft en die ook niet had in de te beoordelen periode, omdat hij afstand had gedaan van zijn Nederlanderschap op 9 februari 2011. De in dit hoger beroep aangevoerde gronden die zien op het Nederlanderschap zijn in die rechtbankprocedure naar voren gebracht en verworpen. De genoemde beschikking van de rechtbank heeft kracht van gewijsde gekregen, waardoor vaststaat dat appellant het Nederlanderschap in de te beoordelen periode niet heeft gehad.

Voor het beroep op zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 16 van de PW heeft appellant tot uitgangspunt genomen dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft. Nu hij die niet heeft, slaagt ook deze grond niet.

Geen aanleiding bestaat voor een veroordeling in de proceskosten.

Waarvan proces-verbaal.

De griffier De voorzitter

(getekend) S.A. de Graaff (getekend) O.L.H.W.I. Korte

lh