Socialezekerheidsrecht

Verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaard wegens niet tijdig betalen griffierecht.

Centrale Raad van Beroep, 15 mei 2019

Zaakgegevens

Op 15 mei 2019 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15 mei 2019
Datum publicatie
16 mei 2019
Zaaknummer
19/651 WSF-VV
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:CRVB:2019:1635
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaard wegens niet tijdig betalen griffierecht.

Uitspraak

19/651 WSF-VV

Datum uitspraak: 15 mei 2019

Centrale Raad van Beroep

Voorzieningenrechter

Uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening

Partijen:

[verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker)

minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (minister)

PROCESVERLOOP

Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld en een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend.

Het verzoek is aan de orde gesteld ter zitting van 17 april 2019. Verzoeker is daar niet verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. P.M.S. Slagter.

OVERWEGINGEN

Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zijn onder meer de artikelen 8:81 en 8:82 van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.

Ingevolge artikel 8:81 in samenhang met artikel 8:104 van de Awb kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of van de voorzieningenrechter van de rechtbank hoger beroep bij de Raad is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed gelet op de betrokken belangen dat vereist.

Artikel 8:82, eerste lid, van de Awb bepaalt dat van de verzoeker een griffierecht wordt geheven. Ingevolge artikel 8:82, derde lid, is artikel 8:41, derde tot en met zesde lid, van de Awb van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de termijn voor de bijschrijving of storting van het griffierecht twee weken bedraagt.

Bij brief van 13 maart 2019 is verzoeker erop gewezen dat een griffierecht van € 128,- is verschuldigd en is hem meegedeeld dat dit bedrag uiterlijk veertien dagen na de dag van verzending van de brief op de in die brief genoemde bankrekening moet zijn bijgeschreven.

Bij aangetekende brief van 28 maart 2019 is verzoeker nogmaals gewezen op de verschuldigdheid van het griffierecht en is hem meegedeeld dat het verschuldigde bedrag binnen één week na de datum van deze brief op de in die brief genoemde bankrekening dan wel contant moet zijn betaald op het bezoekadres van de Raad. Daarbij is erop gewezen dat als het griffierecht niet tijdig wordt betaald, verzoeker er rekening mee moet houden dat het verzoek om voorlopige voorziening niet inhoudelijk zal worden behandeld. Verzoeker is op 16 en 17 april 2019 telefonisch van de zijde van de Raad benaderd, waarbij hij is gewezen op de mogelijkheid het griffierecht uiterlijk op 17 april 2019 voor aanvang van de zitting aan de kas te betalen. Bij aanvang van de zitting is gebleken dat het griffierecht niet tijdig is betaald.

Het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen moet dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard.

Voor een veroordeling in de proceskosten is geen aanleiding.

BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door J. Brand, in tegenwoordigheid van M. Graveland als griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 mei 2019.

(getekend) J. Brand

(getekend) M. Graveland

md