Socialezekerheidsrecht
Intrekken bijstand. Appellante woonde bij haar moeder in een andere gemeente.
Centrale Raad van Beroep, 13 augustus 2019
ECLI:NL:CRVB:2019:2763 · Centrale Raad van Beroep · 13 augustus 2019
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/centrale-raad-van-beroep/bestuursrecht/socialezekerheidsrecht/hoger-beroep/ecli-nl-crvb-2019-2763
Zaakgegevens
Op 13 augustus 2019 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.
- Instantie
- Centrale Raad van BeroepCentrale Raad van BeroepDe hoogste bestuursrechter voor sociale zekerheid en ambtenarenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 13 augustus 2019
- Datum publicatie
- 21 augustus 2019
- Zaaknummer
- 18/1652 PW-PV
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:CRVB:2019:2763
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Intrekken bijstand. Appellante woonde bij haar moeder in een andere gemeente.
Uitspraak
18 1652 PW-PV
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 31 januari 2018, 17/3321 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Almere (college)
Datum uitspraak: 13 augustus 2019
Zitting heeft: mr. J.N.A. Bootsma
Griffier: S. Slaats
Appellante en haar advocaat mr. J.C.R. de Lyon zijn verschenen. Namens het college is
W.M. Haitjema verschenen.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
- bevestigt de aangevallen uitspraak.
Dit betekent dat de intrekking van algemene bijstand en bijzondere bijstand voor bewindvoerderskosten van 27 september 2016 tot en met 6 februari 2017 en van woonkosten over vier dagen klopt. De intrekking van bijzondere bijstand voor inrichtingskosten heeft het college ingetrokken.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
Uit de concrete feiten en omstandigheden is gebleken dat appellante van 27 september 2016 tot en met 6 februari 2017 niet woonde op het opgegeven adres in [woonplaats] , maar nog bij haar moeder in Amsterdam. Het centrum van haar maatschappelijk leven was niet in [woonplaats] , zodat zij tegenover de gemeente Almere geen recht had op algemene en bijzondere bijstand (artikel 40 Participatiewet).
Appellante heeft zelf verklaard dat zij door de week met haar drie kinderen bij haar moeder in Amsterdam was. De twee oudsten gingen daar naar school, het consultatiebureau voor de jongste was in Amsterdam, net als de huisarts, en de meeste pintransacties deed appellante in Amsterdam. De woning in [woonplaats] was nog niet ingericht, er stonden onuitgepakte verhuisdozen, de ramen waren afgeplakt, er kon nog niet worden gekookt, de twee aanwezige matrassen en beddengoed waren in plastic verpakt.
Dat appellante door complicaties bij de bevalling en ziekte van de baby later is verhuisd dan zij van plan was en al wel huur betaalde, in [woonplaats] stond ingeschreven, daar in de weekenden regelmatig was en de intentie had om daar te gaan wonen, kan niet leiden tot een andere conclusie. Dat appellante nog niet in [woonplaats] woonde blijkt ook uit de verklaringen van de buren die zij zelf in hoger beroep heeft overgelegd.
Het hoger beroep slaagt niet.
Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer
(getekend) S. Slaats (getekend) mr. J.N.A. Bootsma