Socialezekerheidsrecht
De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit terecht onder toepassing van artikel 8:41, zesde…
ECLI:NL:CRVB:2019:3218 · Centrale Raad van Beroep · 2 oktober 2019
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/centrale-raad-van-beroep/bestuursrecht/socialezekerheidsrecht/hoger-beroep/ecli-nl-crvb-2019-3218
Zaakgegevens
Op 2 oktober 2019 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.
- Instantie
- Centrale Raad van BeroepCentrale Raad van BeroepDe hoogste bestuursrechter voor sociale zekerheid en ambtenarenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 2 oktober 2019
- Datum publicatie
- 10 oktober 2019
- Zaaknummer
- 18/2982 WAO-PV
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:CRVB:2019:3218
Samenvatting
De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit terecht onder toepassing van artikel 8:41, zesde lid, van de Algemene wet bestuursrecht niet-ontvankelijk verklaard. Griffierecht niet betaald.
Uitspraak
Inhoudsopgave
18 2982 WAO-PV
Datum uitspraak: 2 oktober 2019
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 4 mei 2018, 18/388 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats], Marokko (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Zitting heeft: J.P.M. Zeijen
Griffier: H. Spaargaren
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 oktober 2019. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Anandbahadoer.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
Bij besluit van 19 oktober 2017 heeft het Uwv het verzoek van appellant om terug te komen van het eerdere besluit van 25 april 2012 inzake de weigering van een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering afgewezen, omdat appellant in zijn verzoek geen nieuwe informatie heeft vermeld.
Het bezwaar van appellant tegen het besluit van 19 oktober 2017 is bij beslissing op bezwaar van 15 december 2017 (bestreden besluit) niet-ontvankelijk verklaard, omdat appellant geen gronden van bezwaar heeft ingediend.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank heeft hierbij overwogen dat appellant het griffierecht – ondanks het door de rechtbank bij brief van 27 januari 2018 en bij aangetekende brief van 25 februari 2018 gedane verzoek daartoe – niet heeft betaald, en dat hij geen reden heeft gegeven voor dit verzuim.
Appellant heeft in hoger beroep geen gronden aangevoerd tegen de overwegingen van de rechtbank met betrekking tot de niet-ontvankelijk verklaring. Uit de gedingstukken blijkt niet dat appellant het griffierecht heeft betaald, noch dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellant in verzuim is geweest. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit terecht onder toepassing van artikel 8:41, zesde lid, van de
Algemene wet bestuursrecht niet-ontvankelijk verklaard.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer
(getekend) H. Spaargaren (getekend) J.P.M. Zeijen
Voor eensluidend afschrift
de griffier van de Centrale Raad van Beroep