Socialezekerheidsrecht
De opgelegde boete in verband met niet gemelde werkzaamheden is evenredig.
ECLI:NL:CRVB:2019:3225 · Centrale Raad van Beroep · 1 oktober 2019
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/centrale-raad-van-beroep/bestuursrecht/socialezekerheidsrecht/hoger-beroep/ecli-nl-crvb-2019-3225
Zaakgegevens
Op 1 oktober 2019 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.
- Instantie
- Centrale Raad van BeroepCentrale Raad van BeroepDe hoogste bestuursrechter voor sociale zekerheid en ambtenarenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 1 oktober 2019
- Datum publicatie
- 11 oktober 2019
- Zaaknummer
- 17/7928 PW-PV
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:CRVB:2019:3225
Samenvatting
De opgelegde boete in verband met niet gemelde werkzaamheden is evenredig.
Procesgang
Uitspraak · 2017
ECLI:NL:RBROT:2017:8013Centrale Raad van Beroep · 1 oktober 2019deze uitspraak
ECLI:NL:CRVB:2019:3225
Bekrachtiging/bevestigingBekrachtigingDe hogere rechter laat de eerdere uitspraak in stand: de uitkomst blijft hetzelfde.Meer uitleg
Uitspraak
Inhoudsopgave
17 7928 PW-PV
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 27 oktober 2017, 16/8262 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)
Datum uitspraak: 1 oktober 2019
Zitting heeft: P.W. van Straalen, als lid van de enkelvoudige kamer
Griffier: V.Y. van Almelo
Appellant is niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. R.J.M. Codrington.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
Appellant heeft voorafgaand aan de zitting telefonisch medegedeeld dat hij net terug van vakantie de uitnodiging voor de zitting heeft aangetroffen en niet kan komen. Hij heeft verzocht de behandeling van de zaak uit te stellen. Appellant is bij brief van 29 augustus 2019 op de hoogte gesteld van de behandeling van zijn zaak op 1 oktober 2019. De Raad ziet in de mededeling van appellant geen aanleiding de behandeling van de zaak uit te stellen en wijst het verzoek daartoe af.
Het gaat in deze zaak om het opleggen van een boete van € 550,- in verband met door appellant verrichte werkzaamheden voor een uitzendbureau, waarvan hij bij het college geen melding heeft gedaan.
Niet in geschil is dat appellant in de periode van 9 september 2013 tot en met
3 november 2014 werkzaamheden heeft verricht voor een uitzendbureau. Hij heeft van die werkzaamheden en de daaruit genoten inkomsten geen melding gedaan bij het college.
Het college heeft daarmee aangetoond dat appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden. Appellant kan van het niet nakomen van de inlichtingenverplichting een verwijt worden gemaakt. Hij stelt weliswaar dat hij dacht dat het uitzendbureau de loonstroken zou doorsturen naar het college, maar daarvan geven de stukken geen blijk, zodat hier verder aan wordt voorbijgegaan.
Het college was verplicht een boete op te leggen. De opgelegde boete van € 550,- is evenredig aan de ernst van de overtreding, de mate van verwijtbaarheid en de overige over appellant gebleken omstandigheden.
De Raad zal de aangevallen uitspraak daarom bevestigen.
Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat dan geen aanleiding.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer
(getekend) V.Y. van Almelo (getekend) P.W. van Straalen
sg