Socialezekerheidsrecht
Het college is geen dwangsom verschuldigd omdat het college tijdig heeft beschikt op de aanvraag van appellante.
ECLI:NL:CRVB:2019:368 · Centrale Raad van Beroep · 22 januari 2019
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/centrale-raad-van-beroep/bestuursrecht/socialezekerheidsrecht/hoger-beroep/ecli-nl-crvb-2019-368
Zaakgegevens
Op 22 januari 2019 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.
- Instantie
- Centrale Raad van BeroepCentrale Raad van BeroepDe hoogste bestuursrechter voor sociale zekerheid en ambtenarenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 22 januari 2019
- Datum publicatie
- 7 februari 2019
- Zaaknummer
- 18-839 WWB
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:CRVB:2019:368
Samenvatting
Het college is geen dwangsom verschuldigd omdat het college tijdig heeft beschikt op de aanvraag van appellante.
Uitspraak
Inhoudsopgave
18 839 WWB
Datum uitspraak: 22 januari 2019
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van
28 december 2017, 13/8687 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Leiderdorp (college)
PROCESVERLOOP
Appellante heeft hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Appellante heeft een nader stuk ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 december 2018. Appellante is verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. L.J.A. Edelaar.
OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
Appellante heeft op 24 juli 2012 een aanvraag ingediend om bijzondere bijstand voor de kosten van griffierecht. Bij besluit van 24 augustus 2012 heeft het college beslist op de aanvraag van appellante van 24 juli 2012.
Bij brief van 30 januari 2013 heeft appellante het college in gebreke gesteld wegens het niet tijdig beslissen haar aanvraag van 24 juli 2012. Bij besluit van 5 februari 2013 heeft het college bepaald dat hij geen dwangsom is verschuldigd.
Bij besluit van 19 september 2013 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 5 februari 2013 niet-ontvankelijk verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, en de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand gelaten. Hiertoe heeft de rechtbank, samengevat weergegeven, overwogen dat het college het bezwaar ongegrond had moeten verklaren omdat het college tijdig op de aanvraag van appellante heeft beslist, zodat hij jegens appellante geen dwangsom was verschuldigd.
3. In hoger beroep heeft appellante zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Appellante stelt dat zij niet heeft begrepen dat het college met het besluit van
24 augustus op haar aanvraag van 24 juli 2012 heeft beslist. Appellante heeft dit uit
(de inhoud van) dit besluit en de bij dit besluit geretourneerde aanvraag moeten kunnen opmaken. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het college tijdig op de aanvraag van appellante heeft beslist, zodat hij jegens appellante geen dwangsom was verschuldigd.
Wat appellante heeft aangevoerd over (de inhoud van) haar aanvraag, behoeft hier geen bespreking aangezien in de onderhavige procedure slechts ter beoordeling voorligt de – al in 4.1 beantwoorde – vraag of het college terecht heeft vastgesteld dat hij geen dwangsom is verschuldigd.
Gelet op 4.1 en 4.2 slaagt het hoger beroep niet, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door A. Stehouwer, in tegenwoordigheid van F. Demiroglu als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 januari 2019.
(getekend) A. Stehouwer
(getekend) F. Demiroglu
md