Socialezekerheidsrecht

Met nader besluit geheel tegemoet. Proceskostenveroordeling.

Zaakgegevens

Op 4 december 2019 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
4 december 2019
Datum publicatie
4 december 2019
Zaaknummer
16/5286 ZW
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:CRVB:2019:3878
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Met nader besluit geheel tegemoet. Proceskostenveroordeling.

Uitspraak

Inhoudsopgave

16 5286 ZW

Datum uitspraak: 4 december 2019

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van

29 juni 2016, 16/242 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. F. Kilic, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

De Raad heeft verzekeringsarts L. Greveling-Fockens als onafhankelijk deskundige benoemd. De deskundige heeft op 3 juli 2019 een rapport uitgebracht.

Bij besluit van 16 juli 2019 heeft het Uwv een nieuwe beslissing op bezwaar genomen.

Appellant heeft de Raad gevraagd om het Uwv te verzoeken een toelichting te verschaffen.

Het Uwv heeft hierop gereageerd.

Met toepassing van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), gelezen in verbinding met artikel 8:108, eerste lid, van de Awb, is een onderzoek ter zitting achterwege gebleven, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

1. Bij besluit van 3 december 2015 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 31 juli 2015 waarbij de uitkering van appellant op grond van de Ziektewet (ZW) per 4 augustus 2015 werd beëindigd, ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.1.

Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

3.2.

Het Uwv heeft op 16 juli 2019 een nieuw besluit genomen waarbij het bezwaar van appellant tegen het besluit van 3 december 2015 alsnog gegrond is verklaard en de

ZW-uitkering van appellant per 4 augustus 2015 ongewijzigd voortgezet zolang dat in het kader van de ZW mogelijk is.

3.3.

Appellant heeft in reactie op het besluit van 16 juli 2019 aangevoerd dat onbeantwoord is gebleven wat dit besluit betekent voor de vraag of aansluitend aan de ZW-uitkering een volledige uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) wordt toegekend en heeft het Uwv om opheldering hierover gevraagd.

3.4.

Het Uwv heeft in antwoord op dit verzoek te kennen gegeven dat toekenning van een ZW-uitkering niet automatisch een aansluitende WIA-uitkering tot gevolg heeft, dat appellant zo spoedig mogelijk zal worden opgeroepen voor een WIA-beoordeling, maar dat de uitkomst daarvan een medische aangelegenheid is waarover nu nog geen uitspraak kan worden gedaan.

4. Onderwerp van geschil in deze zaak is het recht op ziekengeld op grond van de ZW per

4 augustus 2015. Het Uwv is gezien het besluit van 16 juli 2019 geheel aan de bezwaren van appellant tegemoet gekomen. Dit betekent, gelet op artikel 6:19, eerste lid, van de Awb, dat het nadere besluit niet in het geding wordt betrokken. Appellant heeft geen belang meer bij een oordeel in hoger beroep. Appellant heeft met het hoger beroep bereikt wat hij heeft nagestreefd. Het recht op een WIA-uitkering aansluitend aan de ZW-uitkering valt buiten de omvang van dit geschil. Dit betekent dat het hoger beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard wegens het ontbreken van procesbelang.

5. Er is aanleiding het Uwv te veroordelen in de door appellant gemaakte kosten in verband met verleende rechtsbijstand. Deze worden in beroep en hoger beroep begroot op in totaal

€ 1.536,-. De kosten in verband met in bezwaar verleende rechtsbijstand zijn in het besluit van 16 juli 2019 al vergoed. Tevens is er aanleiding te bepalen dat het Uwv het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht aan appellant vergoedt.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;

- veroordeelt het Uwv in de kosten van appellant tot het bedrag van € 1.536,-;

- bepaalt dat het Uwv aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van

€ 170,- voldoet .

Deze uitspraak is gedaan door E.J.J.M. Weyers, in tegenwoordigheid van M.D.F. de Moor als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 december 2019.

(getekend) E.J.J.M. Weyers

(getekend) M.D.F. de Moor

mdm