Socialezekerheidsrecht
Afwijzing bijstandsaanvraag. Onduidelijke financiële situatie.
Centrale Raad van Beroep, 26 november 2019
ECLI:NL:CRVB:2019:3938 · Centrale Raad van Beroep · 26 november 2019
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/centrale-raad-van-beroep/bestuursrecht/socialezekerheidsrecht/hoger-beroep/ecli-nl-crvb-2019-3938
Zaakgegevens
Op 26 november 2019 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.
- Instantie
- Centrale Raad van BeroepCentrale Raad van BeroepDe hoogste bestuursrechter voor sociale zekerheid en ambtenarenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 26 november 2019
- Datum publicatie
- 9 december 2019
- Zaaknummer
- 18/1416 PW-PV
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:CRVB:2019:3938
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Afwijzing bijstandsaanvraag. Onduidelijke financiële situatie.
Uitspraak
18 1416 PW-PV
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Datum uitspraak: 26 november 2019
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 1 maart 2018, 17/3119 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad (college)
Zitting heeft: A.M. Overbeeke als lid van de enkelvoudige kamer
Griffier: C.M. van de Ven
Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. G.J. Mulder, advocaat. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door J. van der Wal.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
Appellant heeft op 17 november 2016 bijstand aangevraagd.
Bij besluit van 1 maart 2017, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 31 mei 2017 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag afgewezen omdat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt bijstandbehoevend te zijn. Appellant heeft niet aangetoond hoe hij in de periode vóór de aanvraag in zijn levensonderhoud heeft voorzien. In de maanden vóór de aanvraag en daarna zijn er verschillende contante stortingen gedaan op zijn bankrekening, tot een bedrag van in totaal € 2.380,-, waarvan hij de herkomst niet controleerbaar kan aantonen.
De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank, samengevat, overwogen dat een aanvrager om bijstand de nodige duidelijkheid moet verschaffen over zijn financiële situatie en volledige openheid van zaken dient te geven. Dat heeft appellant niet gedaan, zodat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Appellant heeft zijn verklaring dat familieleden in zijn levensonderhoud hebben voorzien en dat hij bij verschillende familieleden in Nederland en België heeft verbleven, op geen enkele manier met bewijsstukken onderbouwd. De verklaring van Z is achteraf opgesteld, algemeen van aard en geeft geen inzicht in de herkomst van de stortingen.
De gronden die appellant in hoger beroep heeft aangevoerd zijn in essentie een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is in de aangevallen uitspraak gemotiveerd op die gronden ingegaan. Appellant heeft geen redenen aangevoerd waarom die gemotiveerde weerlegging van die gronden onjuist of onvolledig is. De Raad kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de overwegingen waarop dat oordeel rust.
Dit betekent dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer
(getekend) C.M. van de Ven (getekend) A.M. Overbeeke