Socialezekerheidsrecht
Vaststaat dat appellante met ingang van 20 oktober 2017 geen recht meer heeft op ziekengeld. Geen…
Centrale Raad van Beroep, 18 december 2019
ECLI:NL:CRVB:2019:4138 · Centrale Raad van Beroep · 18 december 2019
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/centrale-raad-van-beroep/bestuursrecht/socialezekerheidsrecht/hoger-beroep/ecli-nl-crvb-2019-4138
Zaakgegevens
Op 18 december 2019 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.
- Instantie
- Centrale Raad van BeroepCentrale Raad van BeroepDe hoogste bestuursrechter voor sociale zekerheid en ambtenarenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 18 december 2019
- Datum publicatie
- 18 december 2019
- Zaaknummer
- 18/5210 ZW
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:CRVB:2019:4138
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Vaststaat dat appellante met ingang van 20 oktober 2017 geen recht meer heeft op ziekengeld. Geen re-integratieverplichtingen of enige maatregel. Het is daarom niet aannemelijk gemaakt dat voor appellante nog procesbelang bestaat. Hoger beroep is niet-ontvankelijk.
Uitspraak
18 5210 ZW
Datum uitspraak: 18 december 2019
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 3 september 2018, 18/1905 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. E.M. Prins, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 november 2019. Voor appellante is verschenen mr. Prins. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.C. Puister.
OVERWEGINGEN
Appellante, laatstelijk werkzaam als huishoudelijk medewerker (thuiszorg), heeft zich per 29 december 2016 ziek gemeld met lichamelijke en psychische klachten. Naar aanleiding van deze ziekmelding heeft het Uwv haar in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW).
Op 7 augustus 2017 heeft het Uwv aan appellante een plan van aanpak toegezonden waarin aan appellante in het kader van de ZW re-integratieverplichtingen zijn opgelegd. Bij besluit van 31 januari 2018 (bestreden besluit) zijn de bezwaren van appellante tegen het plan van aanpak van 7 augustus 2017 ongegrond verklaard.
2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.
In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat de rechtbank en het Uwv onvoldoende rekening hebben gehouden met haar beperkingen en dat geen zorgvuldig onderzoek heeft plaatsgevonden naar de oorzaak van haar pijnen.
Allereerst moet de vraag worden beantwoord of appellante procesbelang heeft behouden bij een inhoudelijke beoordeling van de aangevallen uitspraak. In vaste rechtspraak van de Raad (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 30 september 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3360) is neergelegd dat eerst sprake is van (voldoende) procesbelang indien het resultaat dat met het hoger beroep wordt nagestreefd ook daadwerkelijk bereikt kan worden en het realiseren van dat resultaat voor appellante feitelijk betekenis kan hebben.
Het Uwv heeft het recht op ZW-uitkering met ingang van 20 oktober 2017 beëindigd, omdat appellante per die datum weer geschikt was te achten voor haar maatgevende arbeid. Zoals ter zitting is besproken is het bezwaar van appellante tegen dit besluit door het Uwv ongegrond verklaard. Tegen deze beslissing is geen beroep ingesteld, zodat vaststaat dat appellante met ingang van 20 oktober 2017 geen recht meer heeft op ziekengeld.
Re-integratieverplichtingen hebben alleen werking gedurende de periode dat recht bestaat op ziekengeld. Vaststaat ook dat tijdens de periode dat aan appellante ziekengeld is verstrekt het plan van aanpak van 7 augustus 2017 niet tot enigerlei maatregel heeft geleid. Nu evenmin op dit moment voor appellante verplichtingen op grond van dit plan van aanpak resteren, is niet aannemelijk gemaakt dat voor appellante nog procesbelang bestaat.
Gelet op het gestelde in 4.1 tot en met 4.3 dient het hoger beroep niet-ontvankelijk te worden verklaard.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door E.W. Akkerman, in tegenwoordigheid van M. Buur als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 december 2019.
(getekend) E.W. Akkerman
(getekend) M. Buur