Socialezekerheidsrecht
Afgewezen aanvraag. Financiële situatie voorafgaand aan aanvraag onduidelijk gebleven.
ECLI:NL:CRVB:2019:431 · Centrale Raad van Beroep · 29 januari 2019
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/centrale-raad-van-beroep/bestuursrecht/socialezekerheidsrecht/hoger-beroep/ecli-nl-crvb-2019-431
Zaakgegevens
Op 29 januari 2019 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.
- Instantie
- Centrale Raad van BeroepCentrale Raad van BeroepDe hoogste bestuursrechter voor sociale zekerheid en ambtenarenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 29 januari 2019
- Datum publicatie
- 12 februari 2019
- Zaaknummer
- 18/1656 PW-PV
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:CRVB:2019:431
Samenvatting
Afgewezen aanvraag. Financiële situatie voorafgaand aan aanvraag onduidelijk gebleven.
Procesgang
Uitspraak · 2018
ECLI:NL:RBROT:2018:958Centrale Raad van Beroep · 29 januari 2019deze uitspraak
ECLI:NL:CRVB:2019:431
Bekrachtiging/bevestigingBekrachtigingDe hogere rechter laat de eerdere uitspraak in stand: de uitkomst blijft hetzelfde.Meer uitleg
Uitspraak
Inhoudsopgave
18/1656 PW-PV
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Datum uitspraak: 29 januari 2019
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 13 februari 2018, 17/3794 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)
Zitting hebben: G.M.G. Hink
Griffier: L. Hagendijk
Voor appellant is verschenen mr. M.G. Eckhardt, advocaat. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. V.E. van Dijk.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
Het gaat hier om de afwijzing van een aanvraag om bijstand. De te beoordelen periode loopt van 23 november 2016 tot en met 23 februari 2017.
Het college heeft terecht geconcludeerd dat appellant voorafgaand aan de aanvraag en in de te beoordelen periode onvoldoende inzicht heeft gegeven in hoe hij in zijn levensonderhoud heeft voorzien.
Appellant heeft verklaard dat hij heeft geleefd van geleende bedragen van familieleden en vrienden en dat hij deze bedragen contant heeft ontvangen. Verder stelt hij dat hij ook spullen heeft verkocht via Marktplaats.nl en de rommelmarkt, en dat hij hiervoor ook contante bedragen heeft ontvangen.
Appellant heeft echter geen objectieve en verifieerbare gegevens overgelegd over de bedragen waarover hij heeft beschikt. De verklaring van zijn moeder van 3 januari 2017 dat appellant maandelijks wordt ondersteund door familieleden is onvoldoende concreet. Zo worden daarin geen data en bedragen genoemd. Bovendien is deze verklaring achteraf opgesteld en niet onderbouwd met verifieerbare gegevens. Ook de verkoop van de spullen heeft appellant niet onderbouwd. Dit betekent dat appellant over contante bedragen heeft beschikt waarvan de omvang en de herkomst niet kan worden vastgesteld en dat daarom het recht op bijstand niet is vast te stellen.
Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier De voorzitter
(getekend) L. Hagendijk (getekend) G.M.G. Hink