Socialezekerheidsrecht
Niet gemelde bezit van onroerende zaken. Melding van appellant zelf.
Centrale Raad van Beroep, 5 februari 2019
ECLI:NL:CRVB:2019:626 · Centrale Raad van Beroep · 5 februari 2019
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/centrale-raad-van-beroep/bestuursrecht/socialezekerheidsrecht/hoger-beroep/ecli-nl-crvb-2019-626
Zaakgegevens
Op 5 februari 2019 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.
- Instantie
- Centrale Raad van BeroepCentrale Raad van BeroepDe hoogste bestuursrechter voor sociale zekerheid en ambtenarenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 5 februari 2019
- Datum publicatie
- 27 februari 2019
- Zaaknummer
- 18/2656 PW-PV
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:CRVB:2019:626
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Niet gemelde bezit van onroerende zaken. Melding van appellant zelf.
Procesgang
Rechtbank Rotterdam · 3 april 2018
ECLI:NL:RBROT:2018:2610Centrale Raad van Beroep · 5 februari 2019deze uitspraak
ECLI:NL:CRVB:2019:626
Bekrachtiging/bevestigingBekrachtigingDe hogere rechter laat de eerdere uitspraak in stand: de uitkomst blijft hetzelfde.Meer uitleg
Uitspraak
18 2656 PW-PV
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 3 april 2018, 17/5534 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)
Datum uitspraak: 5 februari 2019
Zitting hebben: O.L.H.W.I. Korte als voorzitter en J.N.A. Bootsma en E.C.G. Okhuizen als leden.
Griffier: L. Hagendijk
Namens appellant is mr. F. Özer verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.E. Eind.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
Het geschil tussen partijen is beperkt tot beantwoording van de vraag of er voldoende feitelijke grondslag is voor het vaststellen van een schending van de inlichtingverplichting voor wat betreft vermogen in het buitenland en daarmee voor de intrekking van de
AIO-aanvulling over de periode 21 april 2015, de datum van aanvang van de AIO-aanvulling, tot en met 17 juli 2016, de dag voor de beëindiging daarvan (te beoordelen periode). De bewijslast rust op de Svb.
Appellant heeft op het door hem op 11 januari 2017 ingevulde formulier Verblijf buiten Nederland vermeld dat hij eigenaar is van een woning in Turkije op het adres [adres] in Turkije, waar hij in de periode van 5 juli 2016 tot en met 5 september 2016 heeft verbleven. Op een door hem op 13 maart 2017 ingevuld formulier Onderzoek vermogen Buiten Nederland heeft hij vermeld dat hij een woning en grond bezit, dat hij daarvan eigenaar is, dat het op zijn naam staat, dat de waarde van deze onroerende zaken samen 150.000 Turkse Lira (TL), en elk van beide 75.000 TL bedraagt, en dat hij hiervoor zijn eigen spaargeld heeft gebruikt. Dat appellant daarmee en met dat bedrag zijn Nederlandse huurwoning heeft bedoeld, is niet aannemelijk, mede omdat de waarden in Turkse Lira zijn opgegeven en de woning in Nederland niet zijn eigendom is. Aangevoerd is ook dat de bewonersvereniging de formulieren verkeerd heeft ingevuld en dat daarom niet van de daarin opgenomen gegevens kan worden uitgegaan. Er zou sprake zijn van miscommunicatie. Deze beroepsgrond is niet onderbouwd en slaagt daarom niet. De Svb heeft met deze twee schriftelijke verklaringen aannemelijk dat appellant in de te beoordelen periode onroerende zaken bezat.
Appellant heeft niet eerder dan op 11 januari 2017 melding gedaan van de onroerende zaken. Dat betekent dat de Svb aannemelijk gemaakt heeft dat appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden.
Het hoger beroep slaagt daarom niet.
Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier De voorzitter
(getekend) L. Hagendijk (getekend) O.L.H.W.I. Korte