Socialezekerheidsrecht
Beëindiging ZW-uitkering. Appellant is een zogenaamde vangnetter zonder werkgever. Alleen bijzondere…
Centrale Raad van Beroep, 9 januari 2020
ECLI:NL:CRVB:2020:113 · Centrale Raad van Beroep · 9 januari 2020
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/centrale-raad-van-beroep/bestuursrecht/socialezekerheidsrecht/hoger-beroep/ecli-nl-crvb-2020-113
Zaakgegevens
Op 9 januari 2020 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.
- Instantie
- Centrale Raad van BeroepCentrale Raad van BeroepDe hoogste bestuursrechter voor sociale zekerheid en ambtenarenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 9 januari 2020
- Datum publicatie
- 20 januari 2020
- Zaaknummer
- 18/2218 ZW-PV
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:CRVB:2020:113
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Beëindiging ZW-uitkering. Appellant is een zogenaamde vangnetter zonder werkgever. Alleen bijzondere verzwarende aspecten moeten bij de beoordeling van het laatst verrichte werk buiten beschouwing worden gelaten. Bijzondere verlichtende aspecten dienen niet buiten beschouwing gelaten te worden. Het Uwv heeft deze uitgangspunten in acht genomen en zorgvuldig beoordeeld welk werk appellant feitelijk laatstelijk heeft verricht met inbegrip van de verlichtende aspecten.
Uitspraak
18 2218 ZW-PV
Datum uitspraak: 9 januari 2020
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 3 april 2018, 17/1890 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Zitting heeft: T. Dompeling, als lid van de enkelvoudige kamer
Griffier: C.I. Heijkoop
Ter zitting is appellant niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door L. den Hartog.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen de beslissing op bezwaar van 9 juni 2017 ongegrond verklaard. Bij dat besluit heeft het Uwv zijn beslissing gehandhaafd dat de uitkering van appellant op grond van de Ziektewet met ingang van
17 maart 2017 wordt beëindigd, omdat hij weer geschikt wordt geacht voor de laatst verrichte arbeid in de functie van industrieel schoonmaker.
Er is geen aanleiding om anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan. Appellant is een zogenaamde vangnetter zonder werkgever. Gelet op vaste rechtspraak over deze categorie werknemers moeten alleen bijzondere verzwarende aspecten bij de beoordeling van het laatst verrichte werk buiten beschouwing worden gelaten. Bijzondere verlichtende aspecten dienen niet buiten beschouwing gelaten te worden. Het Uwv heeft deze uitgangspunten in acht genomen en zorgvuldig beoordeeld welk werk appellant feitelijk laatstelijk heeft verricht met inbegrip van de verlichtende aspecten. Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, dat juist de verlichtende aspecten bij de beoordeling moeten worden betrokken, kan dan ook niet tot een voor appellant gunstiger uitkomst leiden. Het hoger beroep slaagt dus niet.
Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer
(getekend) C.I. Heijkoop (getekend) T. Dompeling