Socialezekerheidsrecht
Het Uwv heeft de bezwaren terecht niet-ontvankelijk verklaard. Geen gronden ingediend. Geen aanknopingspunt…
Centrale Raad van Beroep, 22 juli 2020
ECLI:NL:CRVB:2020:1576 · Centrale Raad van Beroep · 22 juli 2020
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/centrale-raad-van-beroep/bestuursrecht/socialezekerheidsrecht/hoger-beroep/ecli-nl-crvb-2020-1576
Zaakgegevens
Op 22 juli 2020 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.
- Instantie
- Centrale Raad van BeroepCentrale Raad van BeroepDe hoogste bestuursrechter voor sociale zekerheid en ambtenarenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 22 juli 2020
- Datum publicatie
- 22 juli 2020
- Zaaknummer
- 19/3200 WAO
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:CRVB:2020:1576
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Het Uwv heeft de bezwaren terecht niet-ontvankelijk verklaard. Geen gronden ingediend. Geen aanknopingspunt te vinden dat appellant om medisch objectiveerbare redenen niet in staat was de gronden tijdig in te dienen.
Uitspraak
19 3200 WAO
Datum uitspraak: 22 juli 2020
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 18 juni 2019, 17/7573 WAO (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] , Marokko (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Onder toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een onderzoek ter zitting achterwege gebleven, waarna de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb heeft gesloten.
OVERWEGINGEN
Appellant woont sinds 1991 in Marokko. Op 27 april 2010 heeft hij verzocht om hem een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsuitkering (WAO) toe te kennen. Het Uwv heeft bij besluit van 14 juni 2010 de aanvraag van appellant buiten behandeling gelaten omdat appellant niet (tijdig) had gereageerd op het verzoek om aanvullende informatie ten behoeve van het vaststellen van zijn verzekeringsplicht. Dit besluit is in rechte komen vast te staan.
In 2013, 2014, 2016 en 2017 heeft appellant verzoeken ingediend om een WAO-uitkering toe te kennen. Het Uwv heeft deze verzoeken opgevat als verzoeken om terug te komen op het besluit van 14 juni 2010. De besluiten waarbij geweigerd is om appellant alsnog in aanmerking te brengen voor een WAO-uitkering zijn eveneens in rechte komen vast te staan.
Op 18 augustus 2018 heeft appellant opnieuw verzocht om hem in aanmerking te brengen voor een WAO-uitkering. Het Uwv heeft bij besluit van 17 september 2018 geweigerd om terug te komen op het besluit van 14 juni 2010. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen dit beluit. Bij brief van 22 oktober 2018 heeft het Uwv appellant verzocht om uiterlijk 19 november 2018 de gronden van het bezwaar in te dienen. Daarbij heeft het Uwv appellant erop gewezen dat het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard kan worden als hij niet (tijdig) reageert. Appellant heeft in een brief van 5 november 2018 herhaald dat hij het niet eens is met het besluit van 17 september 2018. Bij besluit van 22 november 2018 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant niet-ontvankelijk verklaard omdat ook de brief van 5 november 2018 geen gronden bevat.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft vastgesteld dat noch het bezwaarschrift van 5 oktober 2018, noch de brief van 5 november 2018 gronden bevatten zodat het Uwv de bezwaren terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.
Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat hij ziek is en niet kan werken.
Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Voor de toepasselijke bepalingen wordt verwezen naar overweging 4 van de aangevallen uitspraak.
Vast staat dat appellant bij de brief van het Uwv van 22 oktober 2018 is gewezen op het ontbreken van de gronden van het bezwaar, dat appellant in de gelegenheid is gesteld dit verzuim te herstellen en dat is meegedeeld dat, indien dit niet gebeurt, dit tot niet-ontvankelijkheid van het bezwaar kan leiden. Ook staat vast dat appellant de gronden van het bezwaar niet binnen de gestelde termijn heeft ingediend en dat hij hiervoor in beroep en in hoger beroep geen verschoonbare reden heeft vermeld. Appellant heeft weliswaar aangevoerd dat hij ziek is maar in het dossier valt geen aanknopingspunt te vinden dat appellant om medisch objectiveerbare redenen niet in staat was de gronden tijdig in te dienen.
Uit wat onder 4.2 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door T. Dompeling, in tegenwoordigheid van M. Graveland als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 juli 2020.
(getekend) T. Dompeling
(getekend) M. Graveland