Socialezekerheidsrecht
Geen recht op een WIA-uitkering met ingang van 18 juni 2015. Verslechtering gezondheidssituatie is onderkend…
Centrale Raad van Beroep, 16 juli 2020
ECLI:NL:CRVB:2020:1599 · Centrale Raad van Beroep · 16 juli 2020
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/centrale-raad-van-beroep/bestuursrecht/socialezekerheidsrecht/hoger-beroep/ecli-nl-crvb-2020-1599
Zaakgegevens
Op 16 juli 2020 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.
- Instantie
- Centrale Raad van BeroepCentrale Raad van BeroepDe hoogste bestuursrechter voor sociale zekerheid en ambtenarenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 16 juli 2020
- Datum publicatie
- 24 juli 2020
- Zaaknummer
- 18/2403 WIA-PV
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:CRVB:2020:1599
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Geen recht op een WIA-uitkering met ingang van 18 juni 2015. Verslechtering gezondheidssituatie is onderkend. Bij de eerstejaars Ziektewet-beoordeling in februari 2017 naar aanleiding van een ziekmelding uit latere werkzaamheden, is gesteld dat appellant, in vergelijking met voorgaande beoordelingen, steeds verder lijkt af te glijden. Die vaststelling valt dus niet terug te geleiden naar de datum in geding in deze zaak, 18 juni 2015.
Uitspraak
18 2403 WIA-PV
Datum uitspraak: 16 juli 2020
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 28 maart 2018, 17/2576 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Zitting heeft: mr. B.J. van de Griend
Griffier: F.E.M. Boon
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 juli 2020. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. A. Kara. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J.H.H. Fuchs.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
Appellant is werkzaam geweest als logistiek medewerker voor 42,2 uur per week. Bij besluit van 2 december 2013 heeft het Uwv appellant met ingang van 9 oktober 2013 geen uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend, omdat de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 28,82%. Appellant heeft zich op 21 januari 2016 bij het Uwv gemeld met toegenomen klachten met ingang van medio 2015. Het Uwv heeft bij besluit van 21 februari 2017 geweigerd om appellant met ingang van 18 juni 2015 een WIA-uitkering toe te kennen. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 17 juli 2017 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
In geschil is of appellant per 18 juni 2015 recht heeft op een WIA-uitkering. Appellant meent dat zijn beperkingen zijn onderschat. Vooropgesteld wordt dat er meer beperkingen zijn aangenomen dan ten tijde van de afwijzing van de uitkering per 9 oktober 2013. De verslechtering van de gezondheidssituatie van appellant is dus onderkend. Uit de beschikbare gegevens in het dossier blijkt niet dat de aangenomen beperkingen niet stroken met de medische situatie van destijds. Er is een brief van 20 juni 2016 van C. Regab, GZ-psycholoog, maar dit betreft het verslag van een intake van een jaar na de datum in geding. Bij de eerstejaars Ziektewet-beoordeling in februari 2017 naar aanleiding van een ziekmelding uit latere werkzaamheden, is gesteld dat appellant, in vergelijking met voorgaande beoordelingen, steeds verder lijkt af te glijden. Die vaststelling valt dus niet terug te geleiden naar de datum in geding in deze zaak, 18 juni 2015. Nu de Raad geen twijfel heeft over de juistheid van de medische beoordeling, is er voor inschakeling van een onafhankelijke deskundige geen grond.
Het hoger beroep van appellant slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer
(getekend) F.E.M. Boon (getekend) B.J. van de Griend