Socialezekerheidsrecht
Geen doorbreking wettelijk appelverbod. Tegen de uitspraak van de rechtbank op verzet is geen hoger beroep…
ECLI:NL:CRVB:2020:3148 · Centrale Raad van Beroep · 30 november 2020
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/centrale-raad-van-beroep/bestuursrecht/socialezekerheidsrecht/hoger-beroep/ecli-nl-crvb-2020-3148
Zaakgegevens
Op 30 november 2020 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.
- Instantie
- Centrale Raad van BeroepCentrale Raad van BeroepDe hoogste bestuursrechter voor sociale zekerheid en ambtenarenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 30 november 2020
- Datum publicatie
- 14 december 2020
- Zaaknummer
- 20/1134 PW-PV
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:CRVB:2020:3148
Samenvatting
Geen doorbreking wettelijk appelverbod. Tegen de uitspraak van de rechtbank op verzet is geen hoger beroep mogelijk. Dat de rechtbank het beroep vereenvoudigd heeft behandeld betekent niet dat geen sprake is geweest van een eerlijk en onafhankelijk proces. Raad verklaart zich onbevoegd.
Procesgang
Uitspraak · 2019
ECLI:NL:RBROT:2019:6402Centrale Raad van Beroep · 30 november 2020deze uitspraak
ECLI:NL:CRVB:2020:3148
Niet bevoegdNiet bevoegdDe rechter vindt dat hij niet de juiste rechter is om over deze zaak te beslissen.Meer uitleg
Uitspraak
Inhoudsopgave
20 1134 PW-PV
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 31 januari 2020, 19/2332 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Schiedam (college)
Datum uitspraak: 30 november 2020
Zitting heeft: J.J.A. Kooijman
Griffier: T. Ali
Ter zitting zijn verschenen mr. K.M. van der Boor namens appellant en mr. W.A. Kremer namens het college.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep verklaart zich onbevoegd.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
Appellant heeft bij het college bezwaar gemaakt tegen de van het college ontvangen jaaropgave 2017 en tegen de uitkeringsspecificaties over het jaar 2017. Bij besluit van
27 maart 2019 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat de jaaropgave over het jaar 2017 en de uitkeringsspecificaties over het jaar 2017 geen besluiten zijn in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Bij uitspraak van 14 augustus 2019 heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit met toepassing van artikel 8:54 van de Awb ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het door appellant tegen deze uitspraak gedane verzet met toepassing van artikel 8:55 van de Awb ongegrond verklaard.
De aangevallen uitspraak is een uitspraak als bedoeld in artikel 8:55, zevende lid, van de Awb. Op grond van artikel 8:104, tweede lid, aanhef en onder c, van de Awb kan tegen een dergelijke uitspraak geen hoger beroep worden ingesteld.
Volgens vaste rechtspraak kan voor doorbreking van een wettelijk appèlverbod slechts aanleiding zijn indien sprake is van evidente schending van eisen van een goede procesorde dan wel van fundamentele rechtsbeginselen, zodanig dat van een eerlijk en onafhankelijk proces geen sprake is. Deze situatie doet zich hier niet voor.
Bij uitspraak van 14 augustus 2019 heeft de rechtbank beslist op het beroep van appellant. De enkele omstandigheid dat de rechtbank gebruik heeft gemaakt van de bevoegdheid het beroep vereenvoudigd te behandelen betekent niet dat geen sprake is geweest van een eerlijk en onafhankelijk proces. Daarbij is van belang dat appellant zijn standpunt schriftelijk uiteen heeft kunnen zetten en dat appellant is gehoord op zijn verzet tegen de uitspraak van
14 augustus 2019. Appellant heeft zijn standpunt over het rechtskarakter van de jaaropgave 2017 en de uitkeringsspecificaties voldoende naar voren kunnen brengen. Dat appellant het niet eens is met het oordeel van de rechtbank in de aangevallen uitspraak dat de jaaropgave over het jaar 2017 en de uitkeringsspecificaties over het jaar 2017 geen besluiten zijn in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb, noopt niet tot doorbreking van het wettelijk appèlverbod.
Omdat er geen reden is het appèlverbod te doorbreken, dient de Raad zich onbevoegd te verklaren.
Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer
(getekend) T. Ali (getekend) J.J.A. Kooijman