Socialezekerheidsrecht
Herzien bijstand op grond van niet gemelde bijschrijvingen die als inkomen zijn aan te merken. Deel van de…
Centrale Raad van Beroep, 25 februari 2020
ECLI:NL:CRVB:2020:435 · Centrale Raad van Beroep · 25 februari 2020
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/centrale-raad-van-beroep/bestuursrecht/socialezekerheidsrecht/hoger-beroep/ecli-nl-crvb-2020-435
Zaakgegevens
Op 25 februari 2020 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.
- Instantie
- Centrale Raad van BeroepCentrale Raad van BeroepDe hoogste bestuursrechter voor sociale zekerheid en ambtenarenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 25 februari 2020
- Datum publicatie
- 25 februari 2020
- Zaaknummer
- 18-2000 PW-PV
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:CRVB:2020:435
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Herzien bijstand op grond van niet gemelde bijschrijvingen die als inkomen zijn aan te merken. Deel van de bijschrijvingen die als inkomen zijn aan te merken. Deel van de bijschrijvingen buiten de herziening gelaten door college.
Procesgang
Uitspraak · 2018
ECLI:NL:RBROT:2018:1687Centrale Raad van Beroep · 25 februari 2020deze uitspraak
ECLI:NL:CRVB:2020:435
Bekrachtiging/bevestigingBekrachtigingDe hogere rechter laat de eerdere uitspraak in stand: de uitkomst blijft hetzelfde.Meer uitleg
Uitspraak
18 2000 PW-PV
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 5 maart 2018, 17/4992 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)
Datum uitspraak: 25 februari 2020
Zitting hebben: W.H. Bel, M. Hillen en M. van Paridon
Griffier: S.H.H. Slaats
Namens appellant is verschenen mr. D. Gürses, advocaat. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Wintjes.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Dit betekent dat het college terecht de bijstand over de periode van 1 september 2015 tot en met 30 september 2016 van appellant heeft herzien en de te veel ontvangen bijstand over die periode tot een bedrag van
€ 3.850,72 van appellant heeft teruggevorderd.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
1. Het college heeft de bijstand van appellant herzien, omdat appellant in de te beoordelen periode bijschrijvingen van familieleden op zijn bankrekening heeft ontvangen. Het college heeft aan de herziening van de bijstand ten grondslag gelegd dat deze bijschrijvingen moeten worden aangemerkt als inkomen in de zin van artikel 32, eerste lid, van de Participatiewet. Doordat appellant bij het college geen melding heeft gemaakt van deze bijschrijvingen, heeft hij de inlichtingenverplichting geschonden en was het college gehouden de bijstand te herzien en de te veel betaalde bijstand van hem terug te vorderen.
2. De rechtbank heeft het beroep van appellant ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank, kort weergegeven, het volgende overwogen. Niet in geschil is dat appellant geen melding heeft gemaakt bij het college van de bijschrijvingen van zijn zussen en zwager op zijn bankrekening. Bijschrijvingen van derden worden in beginsel als middelen beschouwd. Deze bijschrijvingen hebben een terugkerend karakter, kunnen door appellant worden aangewend voor algemeen noodzakelijke bestaanskosten en zien op een periode waarover bijstand is ontvangen, zodat sprake is van inkomen. Geldleningen zijn niet uitgezonderd van het middelenbegrip. De vraag of appellant een terugbetalingsverplichting heeft is daarom niet van belang. Het recht op bijstand is niet gericht op het aflossen van schulden en het financieren van een verslaving. Dat appellant de bijschrijvingen heeft gebruikt om een positief saldo op zijn bankrekening te houden, is niet van belang. Hij heeft vrijelijk over de gestorte bedragen kunnen beschikken en kon deze ook voor andere doeleinden gebruiken. Niet is gebleken dat sprake is van giften ter besteding van een doel waarin de algemene bijstand niet voorziet. De omstandigheden van appellant vormen geen dringende redenen om van terugvordering af te zien.
3. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat het college niet aannemelijk heeft gemaakt waarom het een deel van de terugbetalingen aan de zussen en zwager wel in aanmerking heeft genomen bij de herziening van de bijstand en een deel niet. Verder heeft appellant aangevoerd dat de geleende bedragen geen terugkerend karakter hadden, dat een deel van de bijschrijvingen als een gift moet worden gezien en dat sprake is van dringende redenen om van terugvordering af te zien.
4. Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd is een herhaling van wat hij ook in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die beroepsgronden ingegaan. Appellant heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde weerlegging van de betrokken gronden in de aangevallen uitspraak onjuist dan wel onvolledig is. De Raad kan zich geheel vinden in het oordeel van de rechtbank en in de overwegingen, zoals hiervoor weergegeven, waarop dat oordeel rust. Daaraan wordt toegevoegd dat het feit dat het college bij de herziening van de bijstand (deels) rekening heeft gehouden met terugbetalingen van appellant aan zijn zussen en zwager van wie hij eerder bijschrijvingen had ontvangen, niet meebrengt dat het college de overige bijschrijvingen buiten beschouwing had moeten laten.
5. Het hoger beroep slaagt niet. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier De voorzitter
(getekend) S.H.H. Slaats (getekend) W.H. Bel