Socialezekerheidsrecht
Centrale Raad van Beroep · Hoger beroep · Socialezekerheidsrecht
ECLI:NL:CRVB:2020:912 · Centrale Raad van Beroep · 10 april 2020
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/centrale-raad-van-beroep/bestuursrecht/socialezekerheidsrecht/hoger-beroep/ecli-nl-crvb-2020-912
Zaakgegevens
Op 10 april 2020 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.
- Instantie
- Centrale Raad van BeroepCentrale Raad van BeroepDe hoogste bestuursrechter voor sociale zekerheid en ambtenarenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 10 april 2020
- Datum publicatie
- 10 april 2020
- Zaaknummer
- 19/3195 WAO-V
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:CRVB:2020:912
Samenvatting
Verzet ongegrond.
Uitspraak
Inhoudsopgave
Datum uitspraak: 10 april 2020
19/3195 WAO-V
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:55, zevende lid, en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 28 mei 2019, 18/6388 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats], Marokko (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Bij uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht van 21 november 2019 heeft de Raad het door appellant ingestelde hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk verklaard.
Appellant heeft verzet gedaan.
Het verzet is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 28 februari 2020. Beide partijen zijn niet verschenen.
OVERWEGINGEN
De uitspraak van de Raad van 21 november 2019 berust op de overwegingen dat het griffierecht niet binnen de in de brief van 24 augustus 2019 gestelde termijn is betaald, het hogerberoepschrift niet tijdig is ingediend, en dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellant niet in verzuim is geweest.
De laatste dag waarop tijdig een hogerberoepschrift kon worden ingediend, was 9 juli 2019. Het hogerberoepschrift is gedateerd op 5 juli 2019 en is, gezien de poststempel op de enveloppe, op 15 juli 2019 ter post bezorgd. Het hogerberoepschrift is op 22 juli 2019 bij de Raad ontvangen. Daarmee staat vast dat het hogerberoepschrift niet tijdig is ingediend.
In verzet heeft appellant te kennen gegeven dat hij ziek is. Ook heeft appellant aangevoerd dat hij het griffierecht tijdig heeft betaald.
De Raad ziet in verzet geen feiten of omstandigheden op grond waarvan zou moeten worden geoordeeld dat appellant niet in verzuim is geweest. Appellant heeft niet met bewijsstukken onderbouwd dat hij gedurende de gehele beroepstermijn om medische redenen niet in staat is geweest tijdig hoger beroep in te stellen. Appellant had een derde kunnen inschakelen om namens hem een hogerberoepschrift in te dienen. Ook heeft appellant geen bewijs van betaling overgelegd waaruit blijkt dat het griffierecht tijdig is betaald.
Dit betekent dat het verzet ongegrond wordt verklaard.
Voor een proceskostenveroordeling van het verzet is geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door C.H. Bangma, in tegenwoordigheid van B.V.K. de Louw als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 april 2020.
(getekend) C.H. Bangma
(getekend) B.V.K. de Louw
GdJ