Socialezekerheidsrecht

Herziening, intrekking, terugvordering. Gokactiviteiten. De beroepsgrond dat de terugvordering niet…

Zaakgegevens

Op 8 juni 2021 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
8 juni 2021
Datum publicatie
23 juni 2021
Zaaknummer
19/2422 PW-PV
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:CRVB:2021:1496
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Herziening, intrekking, terugvordering. Gokactiviteiten. De beroepsgrond dat de terugvordering niet proportioneel is slaagt niet. Het college heeft in de maanden waarin de stortingen hebben plaatsgevonden alleen rekening gehouden met een bedrag aan inkomsten tot de gestorte bedragen. Over de maanden waarin het college de bijstand heeft ingetrokken, is niet duidelijk wat de inkomsten uit de gokactiviteiten zijn geweest, zodat niet kan worden geoordeeld dat de terugvordering niet proportioneel zou zijn.

Procesgang

  1. Uitspraak · 2019

    ECLI:NL:RBROT:2019:3049
  2. Centrale Raad van Beroep · 8 juni 2021deze uitspraak

    ECLI:NL:CRVB:2021:1496

    Bekrachtiging/bevestiging

Uitspraak

Inhoudsopgave

19 2422 PW-PV

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 19 april 2019, 18/2438 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)

Datum uitspraak: 8 juni 2021

Zitting hebben: G.M.G. Hink, W.F. Claessens en P.W. van Straalen

Griffier: Y.S.S Fatni

Appellant en gemachtigde van appellant zijn niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Zonneveld.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak berust op de volgende overwegingen.

Het gaat in deze zaak om de intrekking dan wel de herziening van bijstand in de periode januari 2015 tot en met mei 2017. Het college heeft de over die periode gemaakte kosten van bijstand teruggevorderd tot een bedrag van uiteindelijk € 22.460,08. Aan de besluitvorming ligt ten grondslag dat appellant zijn inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen melding te maken van gokactiviteiten en van stortingen op zijn bankrekeningen. In de maanden waarin het college heeft vastgesteld dat appellant heeft gegokt, kan het recht op bijstand niet worden vastgesteld en wordt het recht op bijstand ingetrokken. De stortingen op de bankrekening heeft het college in aanmerking genomen als inkomsten. Het college heeft die inkomsten in de betreffende maanden op de bijstand in mindering gebracht.

Het hoger beroep komt er op neer dat de terugvordering niet proportioneel is. Die grond slaagt niet. Dat is alleen al het geval omdat het college in de maanden waarin de stortingen hebben plaatsgevonden alleen rekening heeft gehouden met een bedrag aan inkomsten tot de gestorte bedragen. Over de maanden waarin het college de bijstand heeft ingetrokken, is niet duidelijk wat de inkomsten uit de gokactiviteiten zijn geweest, zodat niet kan worden geoordeeld dat de terugvordering niet proportioneel zou zijn.

De rechtbank heeft voorts terecht geoordeeld dat het beroep van appellant op de zes-maandenjurisprudentie niet slaagt omdat deze rechtspraak geen toepassing vindt bij schending van de inlichtingenverplichting. Het college is dan verplicht de bijstand terug te vorderen.

De gronden slagen niet. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

Voor een kostenveroordeling bestaat dan geen aanleiding.

Waarvan proces-verbaal.

De griffier De voorzitter

(getekend) Y.S.S. Fatni (getekend) G.M.G. Hink