Socialezekerheidsrecht
Herziening, intrekking, terugvordering. Gokactiviteiten. De beroepsgrond dat de terugvordering niet…
ECLI:NL:CRVB:2021:1496 · Centrale Raad van Beroep · 8 juni 2021
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/centrale-raad-van-beroep/bestuursrecht/socialezekerheidsrecht/hoger-beroep/ecli-nl-crvb-2021-1496
Zaakgegevens
Op 8 juni 2021 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.
- Instantie
- Centrale Raad van BeroepCentrale Raad van BeroepDe hoogste bestuursrechter voor sociale zekerheid en ambtenarenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 8 juni 2021
- Datum publicatie
- 23 juni 2021
- Zaaknummer
- 19/2422 PW-PV
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:CRVB:2021:1496
Samenvatting
Herziening, intrekking, terugvordering. Gokactiviteiten. De beroepsgrond dat de terugvordering niet proportioneel is slaagt niet. Het college heeft in de maanden waarin de stortingen hebben plaatsgevonden alleen rekening gehouden met een bedrag aan inkomsten tot de gestorte bedragen. Over de maanden waarin het college de bijstand heeft ingetrokken, is niet duidelijk wat de inkomsten uit de gokactiviteiten zijn geweest, zodat niet kan worden geoordeeld dat de terugvordering niet proportioneel zou zijn.
Procesgang
Uitspraak · 2019
ECLI:NL:RBROT:2019:3049Centrale Raad van Beroep · 8 juni 2021deze uitspraak
ECLI:NL:CRVB:2021:1496
Bekrachtiging/bevestigingBekrachtigingDe hogere rechter laat de eerdere uitspraak in stand: de uitkomst blijft hetzelfde.Meer uitleg
Uitspraak
Inhoudsopgave
19 2422 PW-PV
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 19 april 2019, 18/2438 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)
Datum uitspraak: 8 juni 2021
Zitting hebben: G.M.G. Hink, W.F. Claessens en P.W. van Straalen
Griffier: Y.S.S Fatni
Appellant en gemachtigde van appellant zijn niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Zonneveld.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak berust op de volgende overwegingen.
Het gaat in deze zaak om de intrekking dan wel de herziening van bijstand in de periode januari 2015 tot en met mei 2017. Het college heeft de over die periode gemaakte kosten van bijstand teruggevorderd tot een bedrag van uiteindelijk € 22.460,08. Aan de besluitvorming ligt ten grondslag dat appellant zijn inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen melding te maken van gokactiviteiten en van stortingen op zijn bankrekeningen. In de maanden waarin het college heeft vastgesteld dat appellant heeft gegokt, kan het recht op bijstand niet worden vastgesteld en wordt het recht op bijstand ingetrokken. De stortingen op de bankrekening heeft het college in aanmerking genomen als inkomsten. Het college heeft die inkomsten in de betreffende maanden op de bijstand in mindering gebracht.
Het hoger beroep komt er op neer dat de terugvordering niet proportioneel is. Die grond slaagt niet. Dat is alleen al het geval omdat het college in de maanden waarin de stortingen hebben plaatsgevonden alleen rekening heeft gehouden met een bedrag aan inkomsten tot de gestorte bedragen. Over de maanden waarin het college de bijstand heeft ingetrokken, is niet duidelijk wat de inkomsten uit de gokactiviteiten zijn geweest, zodat niet kan worden geoordeeld dat de terugvordering niet proportioneel zou zijn.
De rechtbank heeft voorts terecht geoordeeld dat het beroep van appellant op de zes-maandenjurisprudentie niet slaagt omdat deze rechtspraak geen toepassing vindt bij schending van de inlichtingenverplichting. Het college is dan verplicht de bijstand terug te vorderen.
De gronden slagen niet. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.
Voor een kostenveroordeling bestaat dan geen aanleiding.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier De voorzitter
(getekend) Y.S.S. Fatni (getekend) G.M.G. Hink