Socialezekerheidsrecht
Proceskostenveroordeling na intrekking hoger beroep.
Centrale Raad van Beroep, 14 juli 2021
ECLI:NL:CRVB:2021:1724 · Centrale Raad van Beroep · 14 juli 2021
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/centrale-raad-van-beroep/bestuursrecht/socialezekerheidsrecht/hoger-beroep/ecli-nl-crvb-2021-1724
Zaakgegevens
Op 14 juli 2021 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.
- Instantie
- Centrale Raad van BeroepCentrale Raad van BeroepDe hoogste bestuursrechter voor sociale zekerheid en ambtenarenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 14 juli 2021
- Datum publicatie
- 15 juli 2021
- Zaaknummer
- 18/3204 WIA
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:CRVB:2021:1724
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Proceskostenveroordeling na intrekking hoger beroep.
Uitspraak
Datum uitspraak: 14 juli 2021
18/3204 WIA
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van
25 april 2018, 17/673 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. J. Ipenburg, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft op 23 december 2019 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen.
Bij brief van 27 januari 2020 heeft mr. Ipenburg namens appellant het hoger beroep ingetrokken en aan de Raad verzocht het Uwv te veroordelen in de proceskosten in hoger beroep.
Het Uwv heeft gebruik gemaakt van de gelegenheid een verweerschrift in te dienen.
Onder toepassing van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het onderzoek ter zitting achterwege gelaten. Vervolgens is het onderzoek gesloten.
OVERWEGINGEN
Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Awb bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
Namens appellant is het hoger beroep ingetrokken omdat het Uwv met de gewijzigde beslissing op bezwaar van 23 december 2019 geheel aan de bezwaren van appellant is tegemoetgekomen.
De Raad ziet aanleiding om het Uwv te veroordelen in de kosten die appellant in verband met de behandeling van het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De proceskosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op € 748,- in hoger beroep (1 punt voor het indienen van het hogerberoepschrift) voor verleende rechtsbijstand. Ook komen voor vergoeding in aanmerking de kosten die appellant redelijkerwijs heeft moeten maken voor een deskundige. De deskundige heeft € 5.184,86 (inclusief 21% BTW) voor 22 uur aan werkzaamheden gefactureerd. Het Uwv wordt gevolgd in zijn standpunt dat de kosten onvoldoende gespecificeerd zijn en buitenproportioneel hoog. De Raad ziet aanleiding om voor de werkzaamheden van de deskundige 18 uur in de proceskostenvergoeding te betrekken tegen het maximumtarief van € 126,47, conform het Besluit tarieven in strafzaken 2003, in totaal dus € 2.754.52 (inclusief 21% BTW). Het totaalbedrag van de te vergoeden proceskosten bedraagt daarmee €3.502,52.
Voor vergoeding van het betaalde griffierecht kan appellant zich rechtstreeks tot het Uwv wenden.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep veroordeelt het Uwv in de kosten van appellant tot een bedrag van €3.502,52.
Deze uitspraak is gedaan door S.B. Smit-Colenbrander, in tegenwoordigheid van H. Alajai als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 juli 2021.
(getekend) S.B. Smit-Colenbrander
(getekend) H. Alajai