Socialezekerheidsrecht
De Raad volgt het oordeel van de rechtbank en verwijst daarvoor naar de overwegingen van de rechtbank…
Centrale Raad van Beroep, 8 juli 2021
ECLI:NL:CRVB:2021:1784 · Centrale Raad van Beroep · 8 juli 2021
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/centrale-raad-van-beroep/bestuursrecht/socialezekerheidsrecht/hoger-beroep/ecli-nl-crvb-2021-1784
Zaakgegevens
Op 8 juli 2021 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.
- Instantie
- Centrale Raad van BeroepCentrale Raad van BeroepDe hoogste bestuursrechter voor sociale zekerheid en ambtenarenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 8 juli 2021
- Datum publicatie
- 22 juli 2021
- Zaaknummer
- 20/3254 AKW
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:CRVB:2021:1784
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
De Raad volgt het oordeel van de rechtbank en verwijst daarvoor naar de overwegingen van de rechtbank. Appellant heeft ook in hoger beroep geen betaalbewijzen of andere bewijsstukken ingezonden waaruit zou kunnen blijken dat hij heeft voldaan aan de onderhoudseis. Hetgeen appellant op zitting naar voren heeft gebracht kan niet tot een ander oordeel leiden. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
Uitspraak
20 3254 AKW
Datum uitspraak: 8 juli 2021
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van
19 augustus 2020, 19/6711 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. R.A. Dayala, advocaat, hoger beroep ingesteld en een nader stuk ingezonden.
De Svb heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft via beeldbellen plaatsgevonden op 27 mei 2021. Namens
appellant is zijn gemachtigde verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.M.J.A. Erkens-Hanssen.
OVERWEGINGEN
Appellant ontving kinderbijslag ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) voor zijn drie kinderen, die bij zijn zus wonen. Op basis van door appellant ingevulde formulieren “Informatie over onderhoud kind” is de Svb er daarbij vanuit gegaan dat appellant zijn kinderen in belangrijke mate onderhield.
Naar aanleiding van een beschikking van de rechtbank van 28 december 2018 over het ouderlijk gezag van appellant over de kinderen is de Svb een onderzoek gestart naar het recht op kinderbijslag.
Wat aan deze procedure voorafging
Bij besluit van 13 september 2019 heeft de Svb de kinderbijslag vanaf het eerste kwartaal van 2018 herzien, omdat appellant niet in belangrijke mate heeft bijgedragen in het onderhoud van zijn kinderen. Bij het bestreden besluit van 18 november 2019 is het bezwaar tegen dit besluit ongegrond verklaard.
Wat heeft de rechtbank geoordeeld?
2. Bij de aangevallen uitspraak is het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank is van oordeel dat appellant niet heeft aangetoond dat hij zijn kinderen vanaf het eerste kwartaal van 2018 in belangrijke mate heeft onderhouden. Appellant heeft niet met stukken aangetoond dat hij heeft voldaan aan de minimale onderhoudsbijdrage van € 422,- (2018) en € 425,- (2019) per kind per kwartaal.
Wat heeft appellant aangevoerd?
3. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat hij heeft bijgedragen in het onderhoud van zijn kinderen door middel van geld dat op zijn rekening werd gestort. Zijn zus zou de bankpas van die rekening hebben en zo geld kunnen opnemen ten behoeve van de kinderen. Bewijsstukken van bijdragen in het onderhoud heeft appellant niet.
Het oordeel van de Raad
4. De Raad volgt het oordeel van de rechtbank en verwijst daarvoor naar de overwegingen van de rechtbank. Appellant heeft ook in hoger beroep geen betaalbewijzen of andere bewijsstukken ingezonden waaruit zou kunnen blijken dat hij heeft voldaan aan de onderhoudseis. Hetgeen appellant op zitting naar voren heeft gebracht kan niet tot een ander oordeel leiden.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M. Wolfrat, in tegenwoordigheid van M.E. van Donk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 juli 2021.
(getekend) M. Wolfrat
(getekend) M.E. van Donk