Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep niet-ontvankelijk. Het griffierecht is niet binnen de termijn betaald.
Centrale Raad van Beroep, 29 juli 2021
ECLI:NL:CRVB:2021:1903 · Centrale Raad van Beroep · 29 juli 2021
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/centrale-raad-van-beroep/bestuursrecht/socialezekerheidsrecht/hoger-beroep/ecli-nl-crvb-2021-1903
Zaakgegevens
Op 29 juli 2021 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.
- Instantie
- Centrale Raad van BeroepCentrale Raad van BeroepDe hoogste bestuursrechter voor sociale zekerheid en ambtenarenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 29 juli 2021
- Datum publicatie
- 2 augustus 2021
- Zaaknummer
- 20/1640 WLZ
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:CRVB:2021:1903
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Hoger beroep niet-ontvankelijk. Het griffierecht is niet binnen de termijn betaald.
Uitspraak
Datum uitspraak: 29 juli 2021
20/1640 WLZ
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van
30 maart 2020, 19/2472
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
Stichting Zorgkantoor Menzis
PROCESVERLOOP
De Raad heeft bij uitspraak van 23 september 2020 (ECLI:NL:CRVB:2020:2262) het door appellante ingestelde hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 30 maart 2020, 19/2472 niet-ontvankelijk verklaard.
Appellante heeft verzet gedaan.
De Raad heeft bij uitspraak van 3 maart 2021 (ECLI:NL:CRVB:2021:475) het verzet gegrond verklaard en overwogen dat de uitspraak van de Raad van 23 september 2020 vervalt, dat het onderzoek wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond en dat aan de gemachtigde van appellante een nieuwe termijn zal worden gegund voor het voldoen van het griffierecht.
OVERWEGINGEN
In artikel 8:41, eerste lid, van de Awb is bepaald dat van de indiener van het beroepschrift een griffierecht wordt geheven. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
Bij aangetekende brief van 11 maart 2021 is de gemachtigde van appellante nogmaals gewezen op de verschuldigdheid van het griffierecht en is medegedeeld dat het verschuldigde bedrag binnen vier weken na de datum van deze brief dient te zijn bijgeschreven op de in die brief genoemde bankrekening dan wel contant moet zijn betaald op het bezoekadres van de Raad. Daarbij is erop gewezen dat als het griffierecht niet tijdig wordt betaald, appellante er rekening mee moet houden dat het (hoger) beroep niet inhoudelijk behandeld zal worden.
Het griffierecht is niet binnen de termijn betaald.
Op grond van de beschikbare gegevens kan redelijkerwijs niet worden geoordeeld dat appellante niet in verzuim is geweest. Het hoger beroep is kennelijk niet-ontvankelijk, zodat zonder verder onderzoek kan worden beslist.
Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door D.S. de Vries, in tegenwoordigheid van K.R. van Renswoude als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 juli 2021.
(getekend) D.S. de Vries
(getekend) K.R. van Renswoude
Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan binnen zes weken na de verzending van het afschrift van deze uitspraak schriftelijk verzet doen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA UTRECHT. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld te worden gehoord.