Socialezekerheidsrecht
Hoger beroepen ingetrokken omdat het Uwv met de gewijzigde beslissing op bezwaar aan de bezwaren van…
Centrale Raad van Beroep, 4 augustus 2021
ECLI:NL:CRVB:2021:1923 · Centrale Raad van Beroep · 4 augustus 2021
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/centrale-raad-van-beroep/bestuursrecht/socialezekerheidsrecht/hoger-beroep/ecli-nl-crvb-2021-1923
Zaakgegevens
Op 4 augustus 2021 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.
- Instantie
- Centrale Raad van BeroepCentrale Raad van BeroepDe hoogste bestuursrechter voor sociale zekerheid en ambtenarenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 4 augustus 2021
- Datum publicatie
- 5 augustus 2021
- Zaaknummer
- 18/2134 ZW
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:CRVB:2021:1923
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Hoger beroepen ingetrokken omdat het Uwv met de gewijzigde beslissing op bezwaar aan de bezwaren van werkneemster en werkgever is tegemoetgekomen. Proceskostenvergoeding.
Uitspraak
Datum uitspraak: 4 augustus 2021
18/2134, 18/2135 ZW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van
13 maart 2018, 17/6527 en 17/6528 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[werkneemster] te [woonplaats] (werkneemster)
[werkgever] te [vestigingsplaats] (werkgever)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Namens werkneemster en werkgever heeft mr. P.H. Mahieu, advocaat, hoger beroepen ingesteld.
Het Uwv heeft bij besluit van 25 januari 2021 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen.
Bij brief van 28 januari 2021 heeft mr. Mahieu namens werkneemster en werkgever de hoger beroepen ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht het Uwv te veroordelen in de proceskosten.
Het Uwv heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid een verweerschrift in te dienen.
Onder toepassing van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het onderzoek ter zitting achterwege gelaten. Vervolgens is het onderzoek gesloten.
OVERWEGINGEN
Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Awb bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
Namens werkneemster en werkgever zijn de hoger beroepen ingetrokken omdat het Uwv met de gewijzigde beslissing op bezwaar van 25 januari 2021 aan de bezwaren van werkneemster en werkgever is tegemoetgekomen.
Het Uwv wordt veroordeeld in de kosten die werkneemster en werkgever in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep redelijkerwijs hebben moeten maken. Uitgegaan wordt van samenhangende zaken zodat de kosten van rechtsbijstand worden begroot op € 1.496,- in beroep (1 punt voor het indienen van beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting) en € 748,- in hoger beroep (1 punt voor het indienen van de hogerberoepschriften).
Het verzoek om vergoeding van de kosten van de door gemachtigde van werkneemster en werkgever overgelegde rapporten van Ergatis komt voor toewijzing in aanmerking.
De door het Uwv te vergoeden kosten voor de ingeschakelde deskundige bedraagt € 2.492,61.
Voor vergoeding van het betaalde griffierecht kunnen werkneemster en werkgever zich rechtstreeks tot het Uwv wenden.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep veroordeelt het Uwv in de kosten van werkneemster en werkgever tot een bedrag van € 4.736,61.
Deze uitspraak is gedaan door S.B. Smit-Colenbrander, in tegenwoordigheid van H. Alajai als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 augustus 2021.
(getekend) S.B. Smit-Colenbrander
(getekend) H. Alajai