Socialezekerheidsrecht

Intrekking en terugvordering van bijstand en individuele inkomenstoeslag. Verzwegen spaarrekening. Het…

Centrale Raad van Beroep, 10 augustus 2021

Zaakgegevens

Op 10 augustus 2021 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10 augustus 2021
Datum publicatie
19 augustus 2021
Zaaknummer
19/4850 PW-PV
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:CRVB:2021:2090
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Intrekking en terugvordering van bijstand en individuele inkomenstoeslag. Verzwegen spaarrekening. Het vermogen van appellante, inclusief het saldo van een in strijd met de inlichtingenverplichting verzwegen spaarrekening, was hoger dan de voor haar geldende norm, zodat appellante achteraf bezien geen recht had op bijstand en individuele inkomenstoeslag. Het dagelijks bestuur was niet rekening te houden met een fictieve interingsnorm.

Uitspraak

19 4850 PW-PV

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 10 oktober 2019, 19/2551 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het dagelijks bestuur van Ferm Werk (dagelijks bestuur)

Datum uitspraak: 10 augustus 2021

Zitting heeft: M. Hillen als lid van de enkelvoudige kamer

Griffier: R. de Haas

Appellante, bijgestaan door mr. J.H.F. de Jong, advocaat, heeft door middel van videobellen deelgenomen aan de zitting. Voor het dagelijks bestuur van Ferm Werk is

mr. P.C van der Voorn verschenen.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.

Het gaat in deze zaak om intrekking en terugvordering van bijstand over de periode van

13 december 2016 tot en met 31 oktober 2018 en individuele inkomenstoeslag. Het dagelijks bestuur heeft daaraan ten grondslag gelegd dat het vermogen van appellante, inclusief het saldo van een in strijd met de inlichtingenverplichting verzwegen spaarrekening, op

13 december 2016 € 30.362,15 bedroeg, zodat appellante achteraf bezien geen recht had op bijstand en individuele inkomenstoeslag. De rechtbank heeft het beroep van appellante ongegrond verklaard.

Anders dan appellante heeft aangevoerd, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het dagelijks bestuur niet gehouden was rekening te houden met een fictieve interingsnorm. Dat is vaste rechtspraak (vergelijk de uitspraak van 2 april 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:1378).

Nu appellante in de referteperiode over relevant vermogen beschikte, bestond, anders dan appellante heeft aangevoerd, ook geen recht op individuele inkomenstoeslag.

Het beroep van appellante op de uitspraak van 2 maart 2010, ECLI:CRVB:2010:BL7266, slaagt niet, omdat de in deze uitspraak genoemde situatie niet van toepassing is op appellante. In het geval van appellante is onduidelijk gebleven wat met het vermogen is gebeurd.

Dit betekent dat het hoger beroep niet slaagt. Voor een veroordeling in de proceskosten en voor een veroordeling tot vergoeding van wettelijke rente bestaat geen aanleiding.

Waarvan proces-verbaal.

De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer

(getekend) R. de Haas (getekend) M. Hillen