Socialezekerheidsrecht
Beroep terecht niet-ontvankelijk verklaard vanwege onverschoonbare termijnoverschrijding. Appellante heeft…
Centrale Raad van Beroep, 23 augustus 2021
ECLI:NL:CRVB:2021:2199 · Centrale Raad van Beroep · 23 augustus 2021
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/centrale-raad-van-beroep/bestuursrecht/socialezekerheidsrecht/hoger-beroep/ecli-nl-crvb-2021-2199
Zaakgegevens
Op 23 augustus 2021 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.
- Instantie
- Centrale Raad van BeroepCentrale Raad van BeroepDe hoogste bestuursrechter voor sociale zekerheid en ambtenarenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 23 augustus 2021
- Datum publicatie
- 2 september 2021
- Zaaknummer
- 20/3089 IOAW-PV
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:CRVB:2021:2199
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Beroep terecht niet-ontvankelijk verklaard vanwege onverschoonbare termijnoverschrijding. Appellante heeft haar beroepschrift na de beroepstermijn afgegeven op de griffie van de rechtbank. Uit de door appellante opgegeven redenen voor de late indiening volgt niet dat zij niet in staat is geweest om tijdig beroep in te stellen.
Uitspraak
20 3089 IOAW-PV
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 21 juli 2020, 19/4031 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (college)
Datum uitspraak: 23 augustus 2021
Zitting heeft: P.W. van Straalen
Griffier: R.I.S. van Haaren
Ter zitting is verschenen appellante.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
Het gaat in deze zaak om de vraag of de rechtbank het beroep van appellante tegen de beslissing op bezwaar van het college van 6 mei 2019 terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.
De rechtbank heeft bij de uitspraak overwogen dat appellante haar beroepschrift vóór 18 juni 2019 had moeten indienen. De griffie van de rechtbank heeft het op 20 juni 2019 gedateerde beroepschrift van appellante, dat zij bij de griffie had afgegeven, op 20 juni 2019 ontvangen. Op verzoek van de rechtbank heeft appellante in haar brief van 29 augustus 2019 uiteengezet om welke reden zij niet binnen zes weken na 6 mei 2019 beroep heeft ingesteld. Zij heeft erop gewezen dat zij door stress over haar zieke zoons, een aanstaande verhuizing en om geld te besparen, niet tijdig beroep heeft ingesteld. De rechtbank heeft hierin geen aanleiding gezien de overschrijding van de beroepstermijn door appellante verschoonbaar te achten.
In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat zij moeite heeft om tijdig te reageren, dat zij geen printer heeft en dat zij regelmatig problemen heeft met de post, waardoor zij geen vertrouwen meer heeft in de postbezorging en een aangetekende postverzending te kostbaar vindt.
Deze gronden slagen niet. Met de rechtbank komt de Raad tot het oordeel dat uit de door appellante opgegeven redenen voor de late indiening van haar beroepschrift niet volgt dat zij niet in staat is geweest om tijdig beroep in te stellen. Dat geldt ook voor zover zij ter zitting heeft gesteld dat zij last heeft van Alzheimer. Appellante weet niet of en in welke mate zij daar ten tijde hier van belang ook al last van had. Appellante heeft niet onderbouwd dat zij niet in staat was het beroepschrift vóór 18 juni 2019 bij de griffie van de rechtbank af te geven.
Dit betekent dat het hoger beroep niet staagt. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd.
Voor een kostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer
(getekend) R.I.S. van Haaren (getekend) P.W. van Straalen