Socialezekerheidsrecht
Namens appellante is het hoger beroep ingetrokken. Tussen partijen is niet in geschil dat het college geheel…
Centrale Raad van Beroep, 4 februari 2021
ECLI:NL:CRVB:2021:233 · Centrale Raad van Beroep · 4 februari 2021
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/centrale-raad-van-beroep/bestuursrecht/socialezekerheidsrecht/hoger-beroep/ecli-nl-crvb-2021-233
Zaakgegevens
Op 4 februari 2021 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.
- Instantie
- Centrale Raad van BeroepCentrale Raad van BeroepDe hoogste bestuursrechter voor sociale zekerheid en ambtenarenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 4 februari 2021
- Datum publicatie
- 4 februari 2021
- Zaaknummer
- 19/3591 WMO15
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:CRVB:2021:233
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Namens appellante is het hoger beroep ingetrokken. Tussen partijen is niet in geschil dat het college geheel of gedeeltelijk aan de bezwaren van appellante tegemoet is gekomen. De Raad ziet aanleiding om het college te veroordelen in de kosten die appellante in verband met de behandeling van het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Voor vergoeding van het betaalde griffierecht kan appellante zich rechtstreeks tot het college wenden. Het college heeft reeds toegezegd het griffierecht aan appellante te vergoeden.
Uitspraak
Datum uitspraak: 4 februari 2021
19/3591 WMO15
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 16 juli 2019, 19/2870 en 19/2610 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlemmermeer (college)
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. M. Raaijmakers, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Bij brief van 29 september 2020 heeft mr. Raaijmakers namens appellante het hoger beroep ingetrokken. Hierbij is verwezen naar een e-mail van 1 mei 2020 waaruit onder meer volgt dat appellante een urgentieverklaring heeft gekregen. Gelijktijdig heeft mr. Raaijmakers namens appellante aan de Raad verzocht het college te veroordelen in de proceskosten.
Bij brief van 26 oktober 2020 heeft het college gebruik gemaakt van de gelegenheid een verweerschrift in te dienen. Hierbij heeft het college zich op het standpunt gesteld dat het verzoek om proceskosten van appellante, met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht (1 punt, wegingsfactor 1), kan worden toegewezen. Het college kan zich ook vinden in het vergoeden van griffierecht.
Bij fax van 3 november 2020 heeft appellante zich hierbij aangesloten met vermelding van het door hem betaalde griffierecht en de verzochte proceskosten.
Onder toepassing van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het onderzoek ter zitting achterwege gelaten. Vervolgens is het onderzoek gesloten.
OVERWEGINGEN
Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Awb bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
Namens appellante is het hoger beroep ingetrokken. Tussen partijen is niet in geschil dat het college geheel of gedeeltelijk aan de bezwaren van appellante tegemoet is gekomen.
De Raad ziet aanleiding om het college te veroordelen in de kosten die appellante in verband met de behandeling van het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De proceskosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op € 534,-, voor in hoger beroep verleende rechtsbijstand.
Voor vergoeding van het betaalde griffierecht kan appellante zich rechtstreeks tot het college wenden. Het college heeft reeds toegezegd het griffierecht aan appellante te vergoeden.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep veroordeelt het college in de kosten van appellante tot een bedrag van € 534,-.
Deze uitspraak is gedaan door D.S. de Vries, in tegenwoordigheid van K.R. van Renswoude als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 februari 2021.
(getekend) D.S. de Vries
(getekend) K.R. van Renswoude