Socialezekerheidsrecht
Proceskostenveroordeling. Geen bijzondere omstandigheid die aanleiding geeft om een uitzondering te maken op…
ECLI:NL:CRVB:2022:110 · Centrale Raad van Beroep · 13 januari 2022
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/centrale-raad-van-beroep/bestuursrecht/socialezekerheidsrecht/hoger-beroep/ecli-nl-crvb-2022-110
Zaakgegevens
Op 13 januari 2022 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.
- Instantie
- Centrale Raad van BeroepCentrale Raad van BeroepDe hoogste bestuursrechter voor sociale zekerheid en ambtenarenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 13 januari 2022
- Datum publicatie
- 19 januari 2022
- Zaaknummer
- 20/2444 WLZ
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:CRVB:2022:110
Samenvatting
Proceskostenveroordeling. Geen bijzondere omstandigheid die aanleiding geeft om een uitzondering te maken op het beginsel dat in geval van een tegemoetkomen door het bestuursorgaan een proceskostenveroordeling wordt uitgesproken.
Uitspraak
Inhoudsopgave
Datum uitspraak: 13 januari 2022
20/2444 WLZ
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in artikel 8:118 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 12 juni 2020, 19/1253 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
CIZ (appellant)
[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)
PROCESVERLOOP
CIZ heeft hoger beroep ingesteld.
Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.
Ter zitting van 15 september 2021 heeft CIZ het hoger beroep ingetrokken.
Namens betrokkene heeft mr. E. Schriemer, advocaat, verzocht CIZ te veroordelen in de proceskosten.
CIZ heeft gereageerd op het verzoek om veroordeling in de proceskosten.
Onder toepassing van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een nader onderzoek ter zitting achterwege gelaten. Vervolgens is het onderzoek gesloten.
OVERWEGINGEN
Artikel 8:118, eerste lid, van de Awb bepaalt dat in geval van intrekking van het hoger beroep door het bestuursorgaan, het bestuursorgaan op verzoek van een partij bij afzonderlijke uitspraak met overeenkomstige toepassing van artikel 8:75 van de Awb kan worden veroordeeld in de proceskosten.
Aangezien de rechtbank in de aangevallen uitspraak een proceskostenveroordeling heeft uitgesproken, staan de Raad nog ter beoordeling de kosten die betrokkene in verband met de behandeling van het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken.
Volgens CIZ moet een proceskostenveroordeling in hoger beroep achterwege worden gelaten, omdat CIZ aanleiding heeft gezien het hoger beroep in te trekken naar aanleiding van de uitspraken van de Raad van 23 juli 2021 (waaronder ECLI:NL:CRVB:2021:1689).
In geval van een tegemoetkomen door het bestuursorgaan wordt in beginsel een proceskostenveroordeling uitgesproken. Op dit uitgangspunt kan slechts een uitzondering worden gemaakt vanwege bijzondere omstandigheden.
In wat CIZ heeft aangevoerd, is geen bijzondere omstandigheid gelegen op grond waarvan een uitzondering moet worden gemaakt.
De Raad ziet aanleiding CIZ te veroordelen in de kosten die betrokkene in verband met de behandeling van het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De kosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op € 1.518,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand. De door de gemachtigde van betrokkene gemaakte reiskosten om de zitting van de Raad bij te wonen komen niet voor vergoeding in aanmerking, omdat betrokkene zelf niet bij de zitting aanwezig was en het Besluit proceskosten bestuursrecht niet voorziet in vergoeding van de door een professionele gemachtigde gemaakte reiskosten (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 21 april 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1744).
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep veroordeelt CIZ in de kosten van betrokkene tot een bedrag van € 1.518,-.
Deze uitspraak is gedaan door E.J. Otten, in tegenwoordigheid van K.R. van Renswoude als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 januari 2022.
(getekend) E.J. Otten
(getekend) K.R. van Renswoude