Socialezekerheidsrecht
De betaling door appellant maken het gebruik van de onder 2 genoemde mogelijkheden voor de betaalde termijnen…
Centrale Raad van Beroep, 8 juni 2022
ECLI:NL:CRVB:2022:1364 · Centrale Raad van Beroep · 8 juni 2022
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/centrale-raad-van-beroep/bestuursrecht/socialezekerheidsrecht/hoger-beroep/ecli-nl-crvb-2022-1364
Zaakgegevens
Op 8 juni 2022 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.
- Instantie
- Centrale Raad van BeroepCentrale Raad van BeroepDe hoogste bestuursrechter voor sociale zekerheid en ambtenarenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 8 juni 2022
- Datum publicatie
- 24 juni 2022
- Zaaknummer
- 20/2088 WSF-PV
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:CRVB:2022:1364
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
De betaling door appellant maken het gebruik van de onder 2 genoemde mogelijkheden voor de betaalde termijnen echter niet (meer) mogelijk. Dat betekent dat appellant deze bedragen verschuldigd was en dat hij deze dus terecht aan de minister heeft betaald. De minister heeft daarom geen aanleiding hoeven zien om het hiervoor genoemde bedrag geheel of gedeeltelijk terug te betalen. De medische situatie van appellant maakt dat niet anders. De rechtbank is, zij het met een iets andere motivering, terecht tot hetzelfde oordeel gekomen. De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Uitspraak
20 2088 WSF-PV
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 28 april 2020, 19/2175 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (minister)
Datum uitspraak: 8 juni 2022
Zitting heeft: J. Brand, als lid van de enkelvoudige kamer
Griffier: M.E. van Donk
Verschenen: mr. B.C. Rots en mr. H. Bouhuys (beiden namens de minister)
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
1. Appellant heeft in het verleden studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) ontvangen. De daardoor ontstane schuld moest door hem worden terugbetaald. Appellant beoogt met deze procedure te bereiken dat een totaalbedrag van € 4.500,- dat hij aan de minister heeft betaald voor de (gedeeltelijke) aflossing van zijn schuld aan hem wordt terugbetaald.
2. Voor debiteuren van wie uit humanitair oogpunt niet (langer) kan worden verlangd dat zij hun studieschuld aflossen, heeft de minister kwijtscheldingsbeleid ontwikkeld. Voor debiteuren die vanwege hun geringe inkomen niet op de schuld kunnen aflossen, voorziet de Wsf 2000 in draagkrachtmeting. Kwijtschelding en draagkrachtmeting zien op nog openstaande termijnen van de studieschuld.
3. De betaling door appellant maken het gebruik van de onder 2 genoemde mogelijkheden voor de betaalde termijnen echter niet (meer) mogelijk. Dat betekent dat appellant deze bedragen verschuldigd was en dat hij deze dus terecht aan de minister heeft betaald. De minister heeft daarom geen aanleiding hoeven zien om het hiervoor genoemde bedrag geheel of gedeeltelijk terug te betalen. De medische situatie van appellant maakt dat niet anders.
4. De rechtbank is, zij het met een iets andere motivering, terecht tot hetzelfde oordeel gekomen.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer
(getekend) M.E. van Donk (getekend) J. Brand