Socialezekerheidsrecht
Met het bestreden besluit heeft het college bewerkstelligd dat appellant over de van belang zijnde periode…
Centrale Raad van Beroep, 15 juni 2022
ECLI:NL:CRVB:2022:1488 · Centrale Raad van Beroep · 15 juni 2022
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/centrale-raad-van-beroep/bestuursrecht/socialezekerheidsrecht/hoger-beroep/ecli-nl-crvb-2022-1488
Zaakgegevens
Op 15 juni 2022 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.
- Instantie
- Centrale Raad van BeroepCentrale Raad van BeroepDe hoogste bestuursrechter voor sociale zekerheid en ambtenarenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 15 juni 2022
- Datum publicatie
- 11 juli 2022
- Zaaknummer
- 18/2763 WMO15-PV
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:CRVB:2022:1488
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Met het bestreden besluit heeft het college bewerkstelligd dat appellant over de van belang zijnde periode recht had op begeleiding naar de omvang die hij heeft willen ontvangen. Hiermee heeft het college, anders dan appellant meent, geen rechtsregel geschonden. Het betoog van appellant heeft de rechtbank afdoende besproken. Het hoger beroep slaagt niet. De redelijke termijn is met afgerond anderhalf jaar overschreden in de rechterlijke fase.
Uitspraak
18 2763 WMO15-PV
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 6 april 2018, 17/2860 (aangevallen uitspraak) en het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Apeldoorn (college)
de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) (de Staat)
Datum uitspraak: 15 juni 2022
Zitting hebben: D. Hardonk-Prins als voorzitter en M.A.H. van Dalen-van Bekkum en
A.E. Dutrieux als leden
Griffier: S.N. de Groot
Partijen zijn niet ter zitting verschenen.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
-
bevestigt de aangevallen uitspraak;
-
veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) tot betaling aan appellant van een vergoeding van schade tot een bedrag van € 1.500,-.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
1. Bij besluit op bezwaar van 26 april 2017 heeft het college het bezwaar van appellant tegen het besluit van 2 december 2016 ongegrond verklaard en bepaald dat appellant een dwangsom toekomt van € 120,-.
2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
3. Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak en verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
4. De rechtbank heeft terecht vooropgesteld dat appellant niet meer dan één uur per week begeleiding van Leger des Heils Gelderland heeft willen ontvangen. Met het bestreden besluit heeft het college bewerkstelligd dat appellant over de van belang zijnde periode recht had op begeleiding naar deze omvang. Hiermee heeft het college, anders dan appellant meent, geen rechtsregel geschonden. De angst van appellant dat het bestreden besluit nadelige financiële gevolgen voor hem zou hebben, was ongefundeerd en is ongegrond gebleken. Wat appellant heeft aangevoerd over de verbeurte van dwangsommen en het verzoek om veroordeling van het college tot vergoeding van schade betreft een herhaling van wat hij in beroep heeft betoogd. Dit betoog heeft de rechtbank afdoende besproken. Het hoger beroep slaagt niet.
Appellant heeft verzocht om vergoeding van schade in verband met een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM. Voor de wijze van beoordeling van een dergelijk verzoek wordt verwezen naar de uitspraak van de Raad van
26 januari 2009 (ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009). Voor dit geval betekent dit het volgende.
Vanaf de datum van ontvangst van het bezwaarschrift op 12 januari 2017 tot de datum van deze uitspraak is een periode van vijf jaar en ruim vijf maanden verstreken. In dit geval bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de totale lengte van de procedure meer dan vier jaar mag bedragen. De redelijke termijn is dus met afgerond anderhalf jaar overschreden. De overschrijding van de redelijke termijn heeft plaatsgevonden in de rechterlijke fase. Aan appellant zal daarom een schadevergoeding van € 1.500,- worden toegekend, te betalen door de Staat.
6. Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten is niet gebleken.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier De voorzitter van de meervoudige kamer
(getekend) S.N. de Groot (getekend) D. Hardonk-Prins
Voor eensluidend afschrift
de griffier van de
Centrale Raad van Beroep